Barst in het cynisme

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God


Duitse vrienden hebben er wel eens hun verbazing over uitgesproken dat wij Nederlanders altijd de randjes van de wet opzoeken, er vervolgens net over heen gaan en dan mopperen, als we worden bekeurd omdat we maar een paar kilometer te hard rijden. Hun redenering: als je in een democratie een maximum snelheid met elkaar afspreekt, dan houd je je aan die afspraak, toch?

Iets soortgelijks geldt voor de belastingen. “Leuker kunnen we het niet maken” roept de overheid ons toe. Wat is dat toch voor raar idee. Belasting betalen is in een democratische welvaartsstaat geen kwestie van leuk of niet leuk, het is  de normaalste zaak van de wereld, als je met zijn allen een aantal voorzieningen wilt. Dan moet je botje bij botje leggen om die te financieren. Dat is heel normaal. Maar nee, wij zien liever anderen opdraaien voor die kosten. Dat is toch vreemd!

Het wordt een ander verhaal als je “schatting” moet betalen. Als je een deel van je bezit moet afstaan aan een vreemde overheerser, die met jouw geld zijn overheidsapparaat versterkt, dat jou en je volksgenoten onder de  duim houdt. 
Dat laatste is in de evangelielezing aan de orde. In de tijd van Jezus houden de Romeinen Israël bezet, heffen belastingen en laten die innen door tollenaars.

Natuurlijk wilden alle joden graag vrij en onafhankelijk zijn. Ze verschilden echter onderling sterk van mening over hoe met die Romeinse overheersing om te gaan.
Er waren groepen, zoals de Zeloten, die zich gewapenderhand verzetten;
anderen probeerden er – langs diplomatieke weg – het beste van te maken.
Zo hadden de Sadduceeën – zeg maar de priesters in en om de tempel – het voor elkaar gekregen dat ze binnen de muren van de tempel hun religieuze gang konden gaan. Er werden diensten gehouden, offers gebracht, lessen gegeven etc. Zij konden, bezetting of niet, eigenlijk gewoon hun werk doen en ze waren ervan overtuigd, dat dit alles den Heere zeer welgevallig was.

Dat er een Romeinse adelaar boven de poort van de tempel werd aangebracht, het is een kniesoor die daarop let;
dat er elke dag een lam moest worden geofferd voor het welzijn van zijne goddelijke majesteit de keizer; dat neem je toch op de koop toe.
Dat de Romeinen de keizer als een godheid vereerden, moesten ze toch zelf weten. Maar diezelfde adelaar en diezelfde offers waren de farizeeën een doorn in het oog, om over de zeloten – gewelddadige fanatiekelingen – maar te zwijgen.
De verhouding tot de Romeinse overheid was een zeer heikele kwestie,
waarover allerlei groepen binnen het Jodendom zeer uiteenlopende opvattingen hadden.

O.K. dat was zo in de tijd van Jezus, maar waarom schrijft Mattheüs daar 40 jaar later over? Zijn boek is toch bedoeld ter bemoediging van de eerste christenen? Dat klopt, maar die naam “eerste christenen klopt eigenlijk niet. Je kunt zo tegen het eind van de eerste eeuw beter spreken van de Jezusbeweging. De volgelingen van Jezus, was op dat moment nog een groep binnen het Jodendom. Voor de buitenwacht – en dus ook voor de Romeinse overheid – waren het allemaal joden. Die Jezusbeweging trok echter ook  niet-joden aan. Denk maar aan Paulus, die er op zijn reizen, allerlei mensen van buiten de synagoge aansprak.   

In de tijd dat Mattheüs zijn evangelie schreef – de jaren 70 – was het Jodendom een door de Romeinen erkende autonome levensbeschouwing.
De Romeinen noemden de joden: atheïsten,
omdat ze de goddelijkheid van de keizer niet erkenden.
De joden hadden voor elkaar gekregen, dat ze niet mee hoefden te doen aan de keizerverering. Maar dan moesten ze wel als joden herkenbaar zijn: keppel, gebedsmantel, pijpenkrullen er zijn kenmerken te over.

Die tot Jezusmensen bekeerde heidenen droegen die kenmerken echter niet,
maar deden ook niet mee aan de keizercultus. De Jezusmensen werden gezien als  niet herkenbare joden. Dat gaf verwarring en dus gedoe! Die Jezusbeweging bracht de bevoorrechte positie van de joden in gevaar en dat hebben ze geweten, zowel de Joden als de volgelingen van Jezus.

Het mag duidelijk zijn, dat de verhouding joden <–> romeinen problematisch was. Zowel in tijd van Jezus, als later in de gemeenten van de Jezusbeweging. Het is ook dan nog een actueel probleem en daarom schrijft Mattheüs er over.

De vraag die aan Jezus gesteld wordt is duidelijk. Moet je de keizer belasting betalen of niet? De vraag wordt gesteld door mensen uit twee stromingen onder de joden: De farizeeën en de Herodianen. Farizeeën zijn tegen samenwerking met de Romeinen, de Heriodianen  zijn daarvoor. Welk antwoord Jezus in dit verband ook geeft, hij schopt altijd een van die twee groepen tegen de schenen.
Dat was ook precies de bedoeling, want die z.g. tempelreiniging, dat vonden ze allebei .. de druppel! . Zoiets doe je niet in het huis van des Heeren, zegt de Farizeeër. Bij de Herodianen past zoiets absoluut niet in het politieke straatje.
Ze vinden deze rabbi allebei levensgevaarlijk. De een om godsdienstige, de ander om politieke redenen.
Stel je voor zeg dat de vlam in de pan slaat, met al die Paaspelgrims in de stad.
Dat wordt één groot bloedbad… Dat is de politieke realiteit.  
De religieuze vraag is: Wie moet je het meest gehoorzamen? De keizer of de Eeuwige? Jezus ontwijkt dat dilemma op magistrale wijze: Geef de keizer wat des keizers is; en Gode wat Gods is. Je kunt zeggen dat hij zich daar mooi uit redt.  Blijft echter de vraag:
Wat bedoelt hij met die woorden?
Een belangrijke vraag, want toen ons land bezet werd door de nazi’s, waren er vrome christenen, die ook de Duitse overheid zagen als dienaresse Gods.
Wat bedoelt Jezus met die woorden? Antwoord: Het is maar hoe je het leest.  
Globaal zijn er drie manieren waarop je tegen die verhouding tussen God en de overheid kunt bekijken:  

De eerste manier heet: complementair.

Er zijn zaken in het leven die op het terrein van de godsdienst liggen en andere die tot de publieke sector behoren. Die twee terreinen moet je streng geschei-den houden. In taal van vandaag zou je zeggen dat Jezus voorstander is van een strenge scheiding tussen kerk en staat. Die opvatting leidt tot de pragmatische opstelling van de Sadduceeën en je zou de woorden van Jezus zo uit kunnen leggen. 


De tweede manier heet: anti-thetisch.

Alles wat met de keizer en zijn rijk te maken heeft is in beginsel slecht.
Zijn absolute macht is verwerpelijk, zijn geld stinkt en zijn goddelijke status is  pure blasfemie.  De keizer het zijne geven, betekent dan zoveel als hem alles teruggeven. Zo van…  houd je zootje maar, ik hoef het niet. Die opvatting leidt
tot een wat wereldvreemde opstelling, die  tot op vandaag leidt tot wat men “soevereiniteit in eigen kring” noemt. Die opvatting krijgt echter – zodra die mensen de macht krijgen – ook gevolgen voor anderen. Zwembaden en winkels die op zondag dicht blijven bijvoorbeeld.

De derde manier om tegen de verhouding tussen God en de overheid aan te kijken heet: telescopisch.

In die opvatting maakt de macht van de keizer deel uit van een groter geheel,
dat – als puntje bij paaltje komt – door God wordt aangestuurd. Denk maar aan koning Cyrus die Israël laat terugkeren uit ballingschap. Daar wordt een heidense koning, instrument in Gods hand genoemd. In die opvatting heeft God met alles wat er gebeurt een bedoeling, die voor ons vaak verborgen is en blijft.

Welke uitleg Jezus bedoelt? U mag het zeggen. Ik weet het niet. Het is maar hoe je leest… Een kerkelijke D66-er zal zich thuis voelen bij de strenge scheiding tussen kerk en staat. Een Jehova’s getuige en menig SGP-er zal principieel de antithetische uitleg prefereren en zich uitsluitend willen richten op het rijk Gods, maar ja. De mens is van nature zondig… nietwaar?
Iemand uit de sfeer van de  ChristenUnie, ziet graag alles en iedereen als een instrument in Gods hand en daarom zal kiezen voor de derde uitleg. Zij hebben het altijd over de geschiedenis als een groot borduurwerk, waarvan wij alleen de wir-war van draden aan achterkant kunnen zien.


Wat Jezus bedoelt? Ik denk dat hij bedoelt tegen de farizeeën en de Heriodianen te zeggen: “Bekijk het maar met je strikvragen. De Farizeeën en de Herodianen, ze zoeken het maar uit!
En wij? Wij realiseren ons eens te meer, dat je telkens weer opnieuw moet lezen. In de ene omstandigheid lees je nu eenmaal anders, dan in een andere. De vervolgde christenen in Syrië en Irak lezen deze tekst anders dan u en ik.

Dat geldt – op een andere manier – ook voor  het verhaal over de lachende Sara. Ik heb dat verhaal voor u nagelezen in de Naardense Bijbel, die heel nauwkeurige vertaling van Pieter Oussoren. Ik citeer vers 1:

Dan laat de Ene zich aan hem zien,
bij de godseiken van Mamré,- die wordt gezien,
 terwijl hij in het heetst van de dag –
is gezeten in de ingang van de tent.

Godseiken? Wat zijn dat voor eiken? In het Hebreeuws heten die bomen el-onim.
U herkent het woordje El. Isra-el: strijder met God; Samu-el: Hij hoort, God…
Die bomen zijn el-onim: Godseiken.

Abram heeft het moeilijk. Hij en Lot zijn uit elkaar gegaan. Dor en onherbergzaam land is zijn deel. Lot heeft gekozen voor een streek die AF is, kant en klaar, veel groen en steden met alle voorzieningen.
Abram leeft waar droogte en hitte de dag bepalen. De woestijn is zijn deel,
maar vindt een groep bomen met laaghangende takken, die schaduw bieden aan mensen op reis door de woestijnen van het leven.

Bomen, diepgeworteld zodat ze levend water kunnen drinken.
Elonim – die naam is geen toeval.
Op die plek, op dat moment  laat de Ene zich aan hem zien… terwijl hij in het heetst van de dag is gezeten in de ingang van de tent. De Ene laat zich zien op de moeilijkste momenten in het menselijk bestaan.

Abram zit wat voor zich uit zit te staren. De lucht trilt van zinderende hitte.
Is dit nou dat veel belovende land? Het land is al even dor als de schoot van Sara.
De belofte: een land en een zoon! Het was een mooie droom –maar hij gelooft er niet meer in…  Het kan niet meer.  Ze zijn in de 80 ruimschoots gepasseerd.
Het gaat Sara al lang niet meer naar de wijze der vrouwen. In het brein van Abram strijden geloof en ongeloof met elkaar. Hij slaat zijn ogen neer…

Toch is de hoop nog niet helemaal vervlogen, want hij heft zijn ogen op…
Hij heft zijn ogen op en ziet: ziedaar, drie mannen bij hem geposteerd;
Hij ziet leven in de woestijn. De Levende in deze dorre doodsigheid.

Hij snelt vanuit de ingang van de tent hen tegemoet en buigt zich ter aarde.
Ja, die begroeting is een heel ritueel. Als een levende ziel je pad kruist op zo’n moment, in zo doodse omstandigheden, dan zeg je niet alleen maar “eu…”
Dan zeg je zoiets als: Geheiligd ben je! Hellowed you are… Hello! Hallo.
Ja daar komt “Hallo” vandaan, van Hellowed you are… Geheiligd ben je en hij buigt zich ter aarde.

De vreugde om de ontmoeting met de ander, op je weg door de woestijn, leidt tot gastvrijheid. Op dat begroetingsritueel volgt, wat de Duitsers: Gastfreundschaft noemen. Gastvriendschap – mooi woord!
Abraham biedt deze vreemdeling vriendschap aan. Zijn houding is hospitalité, hospitality.  Je hoort ons woord hospitaal… Ja, reizigers kwamen vroeger hier vaak doodmoe en gewond aan in een stad. Ze werden opgevangen in het gasthuis…
Zo heet het hospitaal in Hoorn nog steeds… Abram zorgt voor zijn gasten:
water om hun voeten te wassen en er wordt een maaltijd aangericht
waar je u tegen zegt.

Abraham is buiten bij de gasten. Sara is binnen in de tent…
“Abram waar is je vrouw?” Binnen!  En dan zegt de vreemdeling: terugkerend keer ik tot jou terug als het de tijd van levenschenken is, en dan is hier een zoon bij Sara, je vrouw!

De belofte van een zoon klinkt opnieuw…
Intussen hoort Sara alles in de open kant van de tent, achter hem.
Dus lacht Sara in haar binnenste en zegt: nadat ik versleten ben zal mij nog wellust geschieden?- en mijn heer is oud geworden!

Sara lacht… net als Abram die eerste keer.
Nadat Gods belofte had geklonken staat er in hoofdstuk 17:17
Abraham valt op zijn aanschijn neer en lacht;
hij zegt in zijn hart: aan een man van honderd jaar zal nog worden gebaard?-
en kan Sara ooit…    zal een dochter van negentig jaar baren?

Over het lachen van Abram hoor je nooit iets. Ik heb er eerlijk gezegd ook altijd overheen gelezen, maar werd er deze week bij het lezen van een commentaar op attent gemaakt, door een vrouwelijke theoloog, die terecht opmerkte dat het lachen van Sara bijna altijd negatief wordt uitgelegd.

Ellen van Wolde, theologe aan de Radbout universiteit in Nijmegen – zegt:
Door dat lachen zijn Abram en Sara ongelovige aartsouders geworden. Met andere woorden: doodgewone mensen, die er niet zomaar op vertrouwen je op je negentigste nog een kind kunt baren. Dat zou ook naïef zijn!
Abram en Sara zijn geen voorbeelden van mensen met een in beton gegoten geloof, dat niet stuk te krijgen is. Ook hun vertrouwen is eindig, net als dat van u en mij. Ook zij worden heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees;
tussen die heerlijke belofte enerzijds en de realiteit van het leven anderzijds.

Catherine Chalier, een franse theologe, legt uit dat het lachen ook te maken heeft met ontvankelijkheid.  Ze geloofden er eigenlijk al lang niet meer in. Gevoelsmatig
hebben ze al lang afscheid genomen van die droom: een land en een zoon. 

Als die gast het dan toch weer zegt… is de reactie uiteraard: dat kàn toch niet!
Maar tegelijk met die gedachte flitst ook door Sara heen… of zou het toch?  

Die lach van Sara, slaat als het ware een barst in wat gewoon ze gewoon zijn gaan vinden: leven zonder perspectief.
Die lach slaat een barst in het cynisme van: “Daar komt toch niks meer van terecht.”
Die lach maakt de weg vrij voor hoop, hoop dat het misschien toch…

In de musical die Sander en ik ooit maakten over Abraham, concluderen ze dat het goede nooit vanzelf komt… Jouw tent of mijn tent? vraagt de aanstaande aartsvader. De toeschouwers lachten altijd op dat moment.
Over hoop gesproken!

In het dorre landschap van een onvruchtbare vrouw groeit
onder de godseiken van Mamre … de hoop op het onmogelijke …
U weet hoe het verder gaat. Dus toch. Ja. Isaäk, mooie naam, weet u wat die naam betekent: Hij lacht!
Wat heerlijk om een verhaal dat altijd negatief is uitgelegd, dank zij twee vrouwelijke theologen, met andere ogen te lezen…
Het os maar hoe je leest… Het maakt blijkbaar verschil of je de bijbel leest
als man of als vrouw.

Het is maar hoe je leest…
Mannelijke uitleggers hebben de lach van Abram altijd overgeslagen en die van Sara negatief uitgelegd.  Annemarie van der Vegt schreef het artikel, waarin ze Ellen ten Wolde en Catherine Chalier aan het woord laat komen. Ik was er blij mee en bedacht dat kerken die vrouwen weren uit het ambt, niet alleen die vrouwen maar de hele geloofsgemeenschap te kort doen.

We zouden onze twijfel wat meer ruimte moeten geven.
Wat vaker moeten lachen, zodat er barsten ontstaan in ons cynisme…
Ook wij kennen immers die momenten van ongeloof!
Je hoort veel pessimisme  om je heen:
Juist hier in Beets zullen mensen in de afgelopen week hebben gedacht:
Waar moet het naar toe met onze samenleving?
De TV spuugt elke dag een hoop ellende over ons uit…
Maar dan ineens herken je de beelden: Verhip, dat is hier bij ons op het dorp! 
Daar zou je toch je geloof, je vertrouwen op God, bij verliezen!
Ja dat is ook zo, en dat mag ook… Je bent in goed gezelschap…
Abraham had het ook … en Sara ook!

Maar hun verhaal is ons doorgegeven.
Het wil ook vandaag een barst slaan in ons cynisme
Ook wij mogen rekenen op de geboorte van JIschak:
Hij lacht!

AMEN