Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God,

Wie het woord storm leest denk in de eerste plaats aan windkracht 9 of hoger.
Maar het woord storm is ook een metafoor:
Een kind met ADHD, dat dit evangelieverhaal hoorde,
zei eens: Bij mij stormt het vaak in mijn hoofd.
Toen we hoorden dat Pim Fortuin was vermoord,
ging er een storm van verontwaardiging door het land.

Wat op het eerste gezicht lijkt op een weerbericht,
blijkt ook een metafoor te zijn.

Job verliest alles.
Zijn bezittingen… en hij was rijk.
Zijn kinderen en kleinkinderen komen om tijdens een razende, allesverwoestende storm.
Als Job dat bericht krijgt,
steekt er in zijn hoofd een geweldige storm op.
Er raast een orkaan door zijn hart.
Zijn hele leven aan flarden!
En waarom? Job begrijpt het niet.
Waarom? Waarom juist hij?

Zou het een straf van God zijn?
Dat wil er bij Job niet in!
Nee, zo is God niet!
Bovendien: Ik heb altijd netjes geleefd.
Iedereen altijd ruimhartig het zijne gegeven.
Maar waarom dan?
 

Job klaagt zijn nood:
“God, je hebt me door het slijk gehaald.
Ik ben niet meer te onderscheiden van stof en as.
Je hebt me in een wurggreep; ik lijd helse pijnen
Waarom? Waarom overkomt mij zoveel onheil?”

U merkt wel: niets menselijks is hem vreemd.
Wij mensen willen weten WAAROM.
Waarom gebeuren de nare dingen die gebeuren?
Als God almachtig is, waarom moet ik dan zoveel pijn verduren?
Als God almachtig is, waarom wil mijn lijf dan niet wat mijn Geest bedenkt…
Waarom doet mijn brein niet meer, wat mijn lijf nog best zou kunnen.

Als God is almachtig is…
Als ons iets overkomt, dan roepen we God ter verantwoording,
want we stellen ons God voor als de grote baas die aan alle knoppen draait.
Iemand het hier laat regenen en Frankrijk de zon laat schijnen.
Die de ene mens plaagt met een overvloed aan geld en goed
en de andere zegent met een ziekte of een handicap.

Wij redeneren vaak net al de mensen in Maleisië,
die denken dat de goden van de Kinabalu wraak hebben genomen,
omdat een stel jongens blootfoto’s hebben gemaakt op die heilige berg.
Wij zetten de Eeuwige maar al te vaak weg als zo’n heidense godheid
die naar believen die jongens straft met een aardbeving
en een groep toeristen met een busongeluk
en zo kun je hele krant nader uitwerken.

Job richt zich rechtstreeks tot de Heer:
U tilt me op en laat me rijden op de wind.
U laat me opgaan in het razen van de elementen.
Job vindt God wreed. Job verwijt God harteloosheid.
Maar hij laat ook merken dat hij het eigenlijk niet gelooft.
Je keert je toch niet tegen iemand die in nood is,
Je laat een mens die om hulp roept,
toch niet stikken…

Ik moest ineens aan al die bootvluchtelingen denken die proberen
Australië te bereiken. Aan de mensen op de rotsen bij Ventemiglia
en bij de veerpont naar Calais.

Job heeft gehuild om wie in nood was…
Job heeft medelijden getoond met de armen.
Job heeft mensen, die het aan alles ontbrak, geholpen waar hij kon.
Bad, bed en brood –  Nee, aan Job heeft het niet gelegen.

Waaraan heeft hij dit vreselijke lot dan verdiend?

Vragen, vragen en nog eens vragen. En het zijn niet alleen de vragen van Job.
Hoe vaak klinkt ook bij ons niet die waaromvraag in de een of andere vorm?
Het berustende antwoord komt meestal van de vragensteller zelf:
Ach, op dat soort vragen krijg je immers toch geen antwoord.

Ja, wij hebben de neiging om in dat soort situaties stilletjes te berusten.
Wij laten het er meestal maar bij zitten, het helpt immers toch niet.  
maar Job, Job schreeuwt het uit. Het allerergste is…vindt hij…
dat hij geen antwoord krijgt. Ik roep om hulp, maar U hoort me niet
Ik sta voor u, maar u ziet me niet.

Ik moest denken aan de nabestaanden van de mensen
die bij de ramp met dat Chinese cruiseschip op de Jangtsekiang
om het leven kwamen.
Ze vragen de autoriteiten om informatie,
maar lopen op tegen een muur van stilzwijgen.
Om gek van te worden…
Ik roep om hulp, maar U hoort me niet
Ik sta voor u, maar u ziet me niet.


Ook voor Job blijft het lang stil.
Zes hoofdstukken lang. Maar dan, zomaar ineens,
in hoofdstuk 38 antwoordt de Eeuwige vanuit de storm.
Job weet niet wat hem overkomt… Zijn jammerklacht is doorgedrongen.
God heeft hem gehoord.  

Legt God hem nu uit waarom dat zware lot hem heeft getroffen?
Nee natuurlijk niet. Waarom niet? Omdat God met als die narigheid
niks van doen heeft. Het kwaad, het leed, de narigheid in deze wereld
komt niet bij God vandaan. God is niet de grote baas die aan alle knoppen
draait… God is niet… God doet!  God doet zijn naam
IK ZAL ER ZIJN VOOR JOU.

De joodse traditie heeft de Bijbel ingedeeld in 52 stukken.
Op elke sabbat wordt in de synagoge zo’n stuk voorgelezen,
gevolgd door een daarbij behorende psalm: de antwoordpsalm.
De antwoordpsalm bij dit gedeelte uit Job is psalm 107.
In die psalm  springt het  Hebreeuwse woord chesed het meest in het oog.
Je kunt dat vertalen met “goedertierenheid.” Een moderne vertaling gebruikt niet dat oude woord, maar zegt: chesed, dan zijn de bewijzen van Gods eeuwige vriendschap.

Job stelt uiteindelijk zijn vertrouwen op de goedertierenheden van de Eeuwige.
Dat is levenskunst: je daardoor laten ontroeren. Zijn goedertierenheid diep tot je door laten dringen. Oog hebben voor Zijn vriendschap, dat is wijsheid.

Ja dat zal wel, maar word je daar als mens ook wijzer van? 
Helpt die goedertierenheid je om staande te blijven  in crisissituaties?
Hoe kom je door de rampen heen, die je treffen.  
Hoe kun je het leed dat je wordt aangedaan een plek geven?
Dat kan door in dat soort noodsituaties te denken aan de bewijzen van zijn vriendschap. Je blijft staande door je de goedertierenheid van God
te binnen te brengen! Psalm 107 helpt daarbij…
 

Die psalm herinnert aan allerlei moeilijke tijden:
de tocht door de woestijn –
die zware levensreis op weg naar veelbelovend land.
de ballingschap – beschreven als een tijd duisternis
als leven in de schaduw van de dood.  

Psalm 107 zingt over de totale ontheemding van een mens.
Psalm 107 beschrijft iemand die helemaal van zijn ankers is geslagen.
Iemand die naar huis wil, maar zijn eigen plek niet meer kan vinden.
Iemand die naar de overkant wil, maar nog niet geroepen wordt.
Iemand die letterlijk niet meer weet waar hij het zoeken moet.
In welke richting moet je dan zoeken?
Willem Barnard dicht:
Gods goedheid is te groot, voor het geluk alleen
zij gaat in alle nood, door heel het leven heen.

Gods goedertierenheid ligt besloten zijn Naam.
Hoe ongelooflijk fantastisch moet het zijn voor iemand
die helemaal van het padje is geraakt, om zich die naam te binnen te brengen: Ik zal er zijn voor jou! Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben er…
Ik breng je naar dat veelbelovend land – zegt God in de woestijn. 
“Ik zal er zijn voor jou. Ik breng je terug naar Yerushalayim, de stad van de vrede,” spreekt de Eeuwige in de duisternis van  de ballingschap.

Je hoeft niet bang te zijn. Ik vaar immers met jullie mee, zegt Jezus.
Ik breng jullie naar de overkant. Kom maar mee! 

De vrienden van Jezus wagen het erop.
Ze gaan met zijn allen de boot in.
Ja, volgelingen van Jezus gaan het schip in.
Jezus volgen wil zeggen: leven op zijn manier.  
Die manier van leven is anders dan die van de anderen…
Die manier van leven sluit niemand buiten, laat niemand omkomen van honger, laat niemand blind op zijn ongeluk afgaan, laat niemand verdrinken – niet in het meer van Galilea, niet op Indische Oceaan en ook niet in de Middellandse Zee.  

Die manier van leven laat geen Griek ten ondergaan in de schuldencrisis, weigert geen Afrikaan om aan land te komen. Bij Jezus is iedereen in tel,
bij Hem is niemand illegaal, is er voor iedereen een bed, een bad en een brood.

Als je met Jezus meegaat, kunnen je best heel nare overkomen.
Je kunt, als je je inzet voor vluchtelingen en asielzoekers,
zomaar overvallen worden door de orkaankracht van het egoïsme;

Wie Jezus volgt, weet dat de aarde van God is.
Wie Jezus volgt weet dat elk mens een kind is van de Heer.
Wie Jezus volgt ziet in ieder mens een broer of een zus, iemand die is zoals jij.
Wie Jezus volgt, kan zomaar overspoeld raken door golven van nationalisme; door gevaarlijke onderstromen van racisme en discriminatie;
door de slagregens van dementie, alzheimer en verschraling van de zorg.
Ja, liever mensen, het is noodweer! Ja, het kan flink stormen,
ook in ons persoonlijke bestaan…

Speelt Jezus in barre tijden een rol in je leven?
Bepaalt Hij de koers naar de overkant?
Of heb je hem te slapen gelegd
op een mooi rood kussentje
op de bank in je bootje?

Het verhaal doet denken aan Jona, die ook slaapt als de storm opsteekt.
De schepelingen wekken hem uit zijn radam, zijn doodslaap.
De discipelen maken Jezus wakker. Jezus wordt gewekt…
Jezus wordt opgewekt… Jezus staat op.
De dood sloeg toe, maar Jezus leeft.

Gods goedheid is te groot, voor het geluk alleen
zij gaat in alle nood, door heel het leven heen.


Die nood is er. Daar is geen ontkomen aan!
Er zullen momenten zijn, dat wij – net de discipelen –
 zullen vragen: Kan het u dan niet schelen dat wij vergaan?

Jezus antwoordt niet… Het is om gek van de worden…
Jezus antwoordt wel. Gods goedertierenheid ligt ook besloten in ZIJN NAAM: J’shua. Jezus staat op en doet zijn naam eer aan: J’shua, God redt.
Hij staat op en de storm gaat liggen.
 

In alle rust, zonder angst en vol verwondering
vaart het scheepje onder Jezus hoede
veilig naar de overkant.

Daar mogen we LEVEN (met vijf hoofdletters)
Daar heeft het leven de kwaliteit die we eeuwig noemen.
Daar, aan de overzij, is eeuwig leven! 

Dat het zo mag zijn
AMEN