Gemeente van onze Heer Jezus Christus Lieve mensen van God Xess Xava, heet hij, de zoon van Wesley en Yolanthe. Xess Xava, twee keer een X. Een unieke naam. Zelf bedacht, Niemand ter wereld heet zo. Nog niet! Het is groot nieuws. Het kind? Nee, die naam! Trending Topic op Twitter! Facebook ontploft bijna! Half Nederland heeft er een mening over. Waar is de tijd van: “Als het beestje maar een naam heeft.” Of “ What’s in a name?” zoals de Engelsen zeggen. In het verhaal van vandaag is Bartimeüs de hoofdpersoon. Zijn naam is net zo vreemd als die van dat kleine Sneijdertje. De twee delen komen namelijk uit twee totaal verschillende talen: Aramees en Grieks. Twee talen… twee culturen. Twee culturen waar de Jodendom niet mee uit de voeten konden. Aramees en Grieks. Het zijn wel vreemde, maar in die tijd bepaald geen onbekende talen. Bar komt uit het Aramees. Het is de taal van de Assyrische overheersers, die 150 jaar eerder door de Makkabeeën waren verdreven. Maar die werden later weer overruled door de Romeinse legioenen, die veelal Grieks spraken. Timeüs komt uit het Grieks. Beide talen fungeren in het Midden Oosten als lingua franca… de allemanstaal. Het waren van die gemeenschappelijke wereldtalen. Zoals vandaag de dag iedereen wel een paar woorden Engels spreekt In de naam van Bar-timeüs klinken tegelijk de wereldtalen van die tijd. Bar is Aramees voor “zoon.” Wesley en Yolanthe zijn niet de enigen die zelf namen verzinnen. Marcus doet het ook, want het Griekse “Timeüs”, komt als naam niet voor. Het betekent “de hooggeachte” maar er was geen Griek die Timeüs heette Bartimeüs is dus een “zoon van de hooggeachte.” Die zoon van die hooggeachte vader is diep gezonken. Hij slijt zijn dagen als blinde bedelaar te Jericho. Veel dieper kun je niet zinken. Bartimeüs staat op de onderste sport van de maatschappelijke ladder, sterker nog… “De zoon van de hooggeachte” staat niet eens op die ladder. Hij zit ernaast… aan de grond… te bedelen. Nee, dieper kun je niet zinken. Marcus onderstreept die positie nog eens door deze bedelaar te posteren in Jericho. Die stad ligt in het Jordaandal. Een geografisch dieptepunt. 260 meter beneden zeeniveau. Dieper kun je haast niet zinken op aarde. Jericho is ook grensstad. Een stad, die leeft op het randje… Kameelkaravanen, de supertankers van die dagen, komen zwaar beladen, uit de wildernis. Schepen der woestijn varen naar de veilige haven van Jericho. Ze worden met open armen ontvangen. Op het plein in de stad is volop plaats voor handelswaar. In de karavanserai vinden mensen en kamelen onderdak. In de herberg met het scharlaken koord, vinden de handelsreizigers hun gerief. Het belastingregime is gunstig. De handel in koffie en de transito van kleine autootjes levert veel werk op en dus… Een welvarende stad… Op een dieptepunt. Ondanks al die welvaart, moet Bartimeüs bedelen in Jericho en voor de zwakken in de samenleving heeft Jericho geen oog. Toen er zich ooit een uit Egypte gevlucht slavenvolk meldde voor de poort, gingen de grote deuren dicht. “No, no, no… geen A.Z.C. in Jericho!” riep de opgehitste massa. Wijze woorden van gastvrijheid gingen in het gekrijs verloren. Dieper kun je als samenleving niet zinken. Jezus is – via Jericho – op weg naar het paasfeest in Jeruzalem. De pelgrimsroute loopt vanuit Galilea door het Jordaandal naar het zuiden. Ze dalen met de rivier mee naar 260 meter onder NAP. Ze trekken door Jericho. Als je rechtdoor gaat, daal je af in de absolute diepte. Eindpunt – De Dode Zee. Daar wil je niet wezen, dus slaan de pelgrims rechtsaf. Steil omhoog: richting Yerushalayim. Door een steil stuk woestijn – op naar de stad van de vrede. Daar zit hij op het diepste punt van de pelgrimstocht, de man, met die naam. Blinde Bartimeüs bemerkt de onrust in de stad. Hij hoort de mensen praten over J’shua, de reizende rabbi uit Nazareth. J’shua is een heel normale Hebreeuwse naam, zoiets als Jan. Je kunt honderd keer “Jan” zeggen, zonder ook maar een moment te denken aan Gods barmhartigheid. En toch, Johannes betekent: “God is genadig.” Zo kon je in Israël honderd keer de naam J’shua zeggen, zonder ooit te denken aan wat die naam betekent: “God redt.” Maar bij de blinde Bartimeüs klinkt die naam als muziek in de oren, Hij ziet zijn kans schoon… en roept: Ben David, Eleison! Eleison me! Zoon van David, ontferm u, ontferm U over mij. In de lezingen voorafgaand aan dit verhaal, was Marcus bezig met het zogenoemde Messiasgeheim. Telkens heeft Jezus zijn volgelingen verboden om in het openbaar te zeggen dat Hij de Messias is. Wie is deze man? Die vraag hing a.h.w. om Jezus heen en de discipelen wisten het wel, maar mochten het niet zeggen. Daar moesten ze mee wachten, tot na Pasen. Ze moesten wachten tot duidelijk was geworden, op welke manier Jezus zijn Messias-schap zou vormgeven. Hij wordt geen koning. Hij wordt geen hogepriester. Hij is iemand die de mensen nabij is, zelfs op het aller diepste dieptepunt van hun leven. Deze Messias wil laten zien dat opstaan, uit welke doodsituatie dan ook, laat altijd mogelijk is. Hoezeer je ook in de narigheid zit, je hoeft niet te blijven zitten, waar hij zit. Je mag zijn voorbeeld volgen en … opstaan. Kijk naar Bartimeüs. Jezus komt nabij. Bartimeüs roept Ben David, Eleison! Zoon van David – Ontferm u! Dit verhaal wordt vaak gelezen als een verhaal over een visueel gehandicapte man met een wat vreemde naam, die – door het opzetten van een grote mond – Jezus zover krijgt, dat de Heer zijn zo ogen betovert, dat hij er mee kan kijken? Die lezer ziet God ziet als iemand die natuurwetten opzij zet, ten gunste van sommige mensen… Maar wie zo leest zal telkens weer bij God aankomen met verwijten in de sfeer van: Waarom duwde je de raket, die de MH17 trof, niet stukje uit de koers? Waarom laat je toe al die mensen uit Syrië moeten vluchten? Waarom heb je die bus vol bejaarden bij Bordeaux vrijdag niet wat langzamer of harder laten rijden? Waarom miste AZ die penalty? Had je die bal niet een curve … Nou ja!    Wie zo leest ontkomt er niet aan. Je zult steeds weer proberen de Eeuwige voor jouw karretje te spannen. Maar je kunt het verhaal van Bartimeüs ook anders lezen. Met een meer literaire blik. Bartimeüs. Man met een niet bestaande Aramees-Griekse naam. Daarmee wil Marcus natuurlijk iets vertellen. Deze man is niet zomaar een individu. Bartimeüs staat voor de volkerenwereld. Hij vertegenwoordigt de gojim, alle niet-joodse mensen, zoals u en ik. Hij zit daar als representant van de twee culturen waar de joden bang voor zijn. Wij zitten daar langs de kant van de weg, Eleison, Eleison te roepen. Wij, heidenen van huis uit, bedelen met Bartimeüs om een paar korrels gerechtigheid, een paar kruimeltjes gastvrijheid, een klein stukje kwaliteit van leven dat valt van ’s Heren tafel, terwijl de kinderen eten. Wij zitten daar en Jezus blijft staan. Tot drie keer toe valt nu het woord roeping. Jezus zegt: roep hem! De mensen roepen de blinde. Ze zeggen: Hij roept je Dit, lieve mensen, is niet de story van een wonderlijke genezing, maar het verhaal van een bijzondere roeping. Eleison! Eleison! Jezus heeft die wanhopige roep om ontferming gehoord. Jezus ziet een wanhopig mens en roept hem bij zich. Bartimeüs weet zich gezien. De zoon van David heeft hem gezien. Maar dan ook echt gezien… met al zijn sores en al zijn wanhoop. Dat gezien worden, dat geeft moed. Alle moedeloosheid valt van hem af! Bartimeüs staat op en werpt zijn bedelaarsmantel weg. Niet meer nodig. Hij staat in zijn hemd, maar het kan hem niet schelen. Hij staat daar in al zijn kwetsbaarheid… maar vol van hoop. De zoon van David, roept hem. Hem, nota bene! Hem, de man met de naam, die hem brandmerkt als buitenstaander. Hij, de bedelaar, gezeten naast de onderste sport van de maatschappelijke ladder, weet zich… geroepen. Hij, de verschoppeling, met een zelfbeeld van lik-mijn-vestje, Hij, die dacht helemaal niets voor te stellen in de wereld, werpt dat verleden – als een mantel – van zich af en staat voor Jezus, die vraagt: Wat wil je dat ik doen zal? En dan staat er letterlijk: “Dat ik mag opzien naar…” Dat ik mag opzien naar de Zoon van David. Dat ik mag afzien van dat mensonterende gebedel Dat ik mag uitzien naar het koninkrijk van God, dat komt. Er staat niet dat hij genezen is… Er staat dat hij is bevrijd. Marcus schrijft niet een verslag over de genezing van een oogziekte. Marcus vertelt… Hij vertelt dat de volkeren, die tot dan toe blind waren voor het heil van Israëls God, ook geroepen zijn om als bevrijde mensen leven! bevrijd van onrecht en vernedering – bevrijd van vervolging en geweld bevrijd van mensonterende praktijken als discriminatie van homo’s en moslims en vluchtelingen en mensen met een kleurtje. Het meeste onheil in deze wereld wordt veroorzaakt door bange mensen. Dat zijn niet de vluchtelingen. Die zijn de angst voorbij, die hebben alle moed der wanhoop bij elkaar geraapt en alles achter gelaten; zijn opgestaan en op weg gegaan. Op weg naar toekomst voor zichzelf of hun kinderen. Net als Bartimeüs… hebben ze hun slachtofferrol als een bedelaarsmantel afgeworpen; zijn niet blijven zitten in het uitzichtloos bestaan, waar ze zaten. Als de vluchtelingen lijken op Bartimeüs, wie zijn wij dan? Nu wordt het spannend. Hebben wij de roepstem van “De zoon van David” gehoord? Weten wij ons geroepen? Zijn wij zijn Ekklesia? Zijn kerk? Zijn geroepenen? Ja, de Heer heeft ons de ogen geopend? Christus heeft ons bevrijd… bevrijd tot navolging. Bartimeüs is immers niet teruggegaan naar zijn bedelplekje… Nee, dat zag hij helemaal niet zitten. Bartimeüs is met Jezus mee op weg gegaan naar Jeruzalem. Hoor je dat… de volkeren – u en ik – gaan samen met de zoon van David op naar de stad van de vrede. Joden? Grieken? Moslims? Syriërs? Afrikanen? Inwoners van Steenbergen? Het is allemaal leuk hoor, al die indelingen; maar als het gaat om de overtuiging van waaruit we ons leven vormgeven, mogen wij nooit vergeten dat we allemaal MENSEN zijn. Christenen, zien in een vluchteling geen probleem. Een vluchteling is een mens… en het probleem dat hij heeft moet worden opgelost. Onze traditie staat het ons niet toe mensen te minimaliseren tot bedelaar, vluchteling of gelukszoeker, om ze vervolgens buiten het hek te laten creperen. Onze levensovertuiging staat het ons ook niet toe, mensen te minimaliseren tot PVV-er, angsthaas, domoor om ze vervolgens buiten spel te laten staan, omdat ze zich blind staren op vermeend eigenbelang. De Eeuwige schenke ons – net als Bartimeüs – het inzicht, dat HIJ de mens te maximaliseert tot: de kroon op de schepping. De eeuwige geve dat we zijn stem verstaan, nu hij ons roept zijn naam waar te maken: “Ik zal er zijn voor jou” – wie je ook bent en waar je ook vandaan komt. De Eeuwige schenke ons het inzicht dat we samen met de vluchtelingen behoren tot de categorie van Gods oogappels, die samen met Jezus op weg zijn naar Gods koninkrijk. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.