Lezingen: 


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Lieve mensen van God.

Over het lied dat we zojuist zongen, woedde enkele weken geleden, op de pagina’s van dagblad Trouw, een  korte maar felle discussie. Het discours ging over de tweede regel van het negentiende couplet.
Men struikelde over de “neger,” die – blazend op zijn loftrompet –
samen met andere verdrukten – het hemelse Jeruzalem binnentrekt.

De tekst is geschreven in de jaren 70 van de vorige eeuw.
Toen was “neger” nog een heel normale aanduiding voor iemand met een zwarte huidskleur. “Dat kan allemaal wel waar zijn” roepen de bezwaarden, “maar nu is “neger” een scheldwoord dat door racisten wordt gebruikt en dus is: Wie dat lied zingt, is een racist.
Dat u dat weet!

In de tijd dat ik werd opgeleid als onderwijzer,
leerden we op de Christelijke Kweekschool voor Zeeland liedjes als: 
“Ik heb mijn wagen volgeladen, vol met oude wijven.
Toen we op we markt kwamen, begonnen zij te kijven.
Nooit neem ik van mijn levensdagen, nog oude wijven op mijn wagen,
Hop paardje hop! Hop paardje hop.”


Een liedje van voor de eerste feministische golf. Het stamt uit de tijd dat het woord “wijf” nog net zo gewoon was als het woord neger in de jaren 70. Moet dat liedje op een zwarte lijst? Moet het geschrapt worden uit alle bundels?

Ik zag tijdens het EK voetbal, heel veel mensen uit volle borst hun volkslied zingen. Wat hadden we graag gezongen dat we de koning van Hispanje altijd hebben geëerd. Dat is niet zo… maar toch.

Engelse supporters vroegen massaal aan God to save hun Queen.
De Eeuwige wordt aangeroepen, door mensen waarvan de meesten helemaal niet in God geloven. Vreemd…toch? Ik heb er nog eens wat teksten van diverse Europese volksliederen op nagelezen. De meeste kunnen echt niet meer, hoor. Maar of je die nou moet schrappen?


Mijn excuses voor deze uitweiding. Ik kwam erop door het kijven van die wijven, want dat lijkt op het eerste gezicht de link tussen de beide lezingen. Twee verhalen over vrouwen, die het – op zijn zachtst gezegd – niet met elkaar eens zijn. Hanna en Peninna in het Eerste en Maria en Martha in het Tweede Testament.

We schrijven de jaren 1100 a 1050 voor het begin van de bij ons gebruikelijke jaartelling. De twaalf stammen hebben zich gevestigd
in Kanaän. De ark met de stenen tafelen staat in een klein heiligdom in Silo. Daar speelt zich ons verhaal af.

Kenmerk van die periode?
Het Woord des Heren is schaars geworden in Israël.
Het ideaal van een samenleving, met Thora als leidraad,
is ver te zoeken. De priester is hoog bejaard en zo goed als blind.
Het offeren van schapen en runderen laat hij over aan zijn zonen: Hofni en Pinehas. Mannen met vreemde namen.

In de Bijbel verwijzen veel namen naar de Eeuwige, die zijn volk bevrijdde uit de slavernij en onderdrukking. Maar Hofni en Pinehas zijn Egyptische namen. Ze herinneren aan het land van duisternis, slavernij en onderdrukking. Die twee priesterzonen verwijzen met
hun namen en met hun leefwijze naar een samenleving, die niet is gebaseerd op de gerechtigheid van Thora, maar op het on-recht van de sterkste.  
Van “omzien naar elkaar” is geen sprake. Kwetsbare groepen hebben het moeilijk. Weduwen en wezen worden aan hun lot overgelaten; vreemdelingen als slaven uitgebuit; kinderen gedood met de religie als dekmantel.

Ook in Silo is sprake van machtsmisbruik. De elite dwaalt af.
Het Woord des Heren schaars is geworden in Israël…
De kloof tussen de sterken en de kwetsbaren wordt steeds groter.
De kleinen, de armen, de buitenbeentjes, die zijn de dupe.

Elkana heeft twee vrouwen. Dat is op zich niet ongewoon.
Abraham had er drie, Jacob 4 en Salomo had een paleis vol.
Zo ging dat in die tijd.
Zouden de protesteerders in Trouw daarover ook roepen:
“Dat kan natuurlijk helemaal niet!”
Ik ben benieuwd wanneer er lieden opstaan, die vinden dat de polygamie moet worden geschrapt uit de oude verhalen.
Oh sorry, ik weid weer uit.  

Elkana heeft twee vrouwen: Hanna en Peninna.
Elkana is met Hanna getrouwd omdat hij van haar houdt.
Elkana is met Peninna in zee gegaan omdat er nageslacht moest komen. Zonen en dochters, die voor hem en Hanna kunnen zorgen als ze oud geworden zijn! Ja, ja ook voor Peninna.

Hanna, is kinderloos. Kinderloze vrouwen vormen een kwetsbare groep. Peninna voelt zich superieur aan dat onvruchtbare wezen. Door haar kinderproductie is Elkana’s pensioen en eventuele arbeidsongeschiktheid verzekerd. Peninna laat geen gelegenheid voorbij gaan om haar minachting voor Hanna te tonen.
’t Ja, pesten is van alle tijden.

De naam Elkana betekent zoveel als “van God gekregen.”
Dit godsgeschenk heeft zijn Hanna hartstochtelijk lief.
Dat is Peninna uiteraard een doorn in het oog.

Eén keer per jaar trekken ze met zijn allen naar Silo voor een offer. Het vlees van de offerdieren dient voor een rituele maaltijd.
Elkana snijdt het vlees. Peninna krijgt de meeste plakken, maar de
mooiste biefstuk is voor Hanna. ‘t Is Penina een doorn in het oog. Jaloezie is van alle tijden…

Elkana probeert – in al zijn machteloosheid – Hanna een beetje op te beuren. Ze krijgt een prachtig stuk vlees…
Niet echt handig natuurlijk. Ach ja, wij mannen gaan soms wel heel erg klunzig om met de gevoelens van onze geliefden. Tot overmaat van ramp vraagt hij dan ook nog: Lieve schat, waarom ben je zo verdrietig? Is mijn liefde jou dan niet genoeg?

Dan breekt er iets bij Hanna. Zacht huilend zoekt ze de serene rust van het heiligdom. Ze werpt zich, kronkelend van ellende op de grond en stort woordeloos haar hart uit voor God.

Hanna heeft het gevoel dat God niet naar haar omkijkt;
Hanna voelt zich: niet gekend. Als niemand weet hoe
ontzettend je ernaar verlangt, gezien te worden,
zoals je werkelijk bent.

Hanna voelt zich in de steek gelaten.
Door Elkana, met zijn waarschijnlijk goedbedoelde gestuntel.
Maar ze voelt zich vooral ook van God verlaten…

Hanna mist het gevoel, dat God naar haar omkijkt.
Niet gezien worden – maakt je zo eenzaam.
Niet gekend zijn – dat voelt als zinloosheid.
Hanna ervaart aan den lijve wat het betekent als
“het woord des Heren schaars is.”

Haar naam betekent “Genade”,
maar genade krijgt geen kans.
Waar genade geen kans krijgt,
worden de kwetsbaren overruled,
daar is de samenleving overgeleverd aan de Peninna’s van de wereld. De Hofni’s en de Pinehassen zullen het wel religieus legitimeren.

Haar man houdt haar een kluif voor. De priester ziet in haar een dronkaard. Ja, ook Eli is de weg kwijt. Hij wil haar wegsturen.

Maar hier, zo vlak bij de ark; zo dicht in de nabijheid van de Eeuwige, laat Hanna zich niet wegjagen. Verdriet slaat om in opstandigheid.
De vrouw die op de grond lag staat op.
Ze vertelt de priester haar verhaal…
Ze doet t een gelofte.
Haar kind zal geheel aan God gewijd zijn.

Eindelijk dringt ze tot Eli door…
Hij hoort het verhaal achter het verhaal.
Zijn blinde ogen zien de godverlatenheid;
Deze vrouw is niet bezig is met haar privébelangen.
Hanna’s grootste wens is dat God omziet naar haar en naar het volk.
Gods Woord moet niet langer schaars zijn in Israël.
Dat is een zaak van levensbelang.
Daar ligt de zin van haar bestaan.
Daar zet ze haar privégeluk voor in.

“Volgend jaar, heb jij een zoon!”
luidt de bevrijdende boodschap.
Voor Hanna betekenen die woorden:
De Heer ziet naar mij om, en naar zijn volk:
Gods woord zal weer klinken in Silo.
Geen bacchanalen, maar lofzangen.
De geest van Thora zal het leven bepalen.
Samuel, de zoon van Hanna,
zal het volk Gods wegen wijzen.

Vanwaar die sprong ineens? Hoe kom je erbij, pastor, om Hanna’s privéverhaal te betrekken op de hele samenleving?
Dat doe ik niet… dat doet ze zelf. We zongen een paar coupletten
de lofzang, die ze zingt bij Samuels geboorte. Lees hem nog maar eens na: 1 Samuel 2

Bijbelverhalen gaan zelden over privébelangen.
Hoe herkenbaar Hanna voor sommigen ook zal zijn,
het verhaal vertelt hoe God omziet naar zijn volk.
God houdt de kwetsbaren geen kluiven voor,
maar zet ze in hun kracht zet.
Zijn leiderschap drijft niet op pesterij en onderdrukking,
maar op recht en gerechtigheid.

De kleine Samuel komt in de leer bij Eli.
Hij leert Thora in Silo.
Maria leert Thora aan de voeten van rabbi Jezus.
Ja, Thora moet je leren,
Met Thora moet je leven
Met Thora mag je leren leven.
Leren leven met kwaliteit, de kwaliteit
die we eeuwig noemen.

Pesten past daar niet bij.  
Niet op school om een beugel of rood haar,
Niet op het werk, niet in de buurt omdat mensen anders geaard zijn…
of anders gelovig, of ergens anders vandaan komen.

Waar het leiderschap Gods woorden waarmaakt,
ontstaat geen tweedeling in de samenleving.
Daar wonen in de banlieux van grote steden
burgers die zich welkom weten.
Waar leiderschap Gods woorden waar maakt
daar weten de burgers:
Wir schaffen das!
Yes we can!

Misschien hebt u in de krant gelezen dat de burgerlijke gemeente Hoorn en het Hulpfonds Maatschappelijk Werk van de kerken samen optrekken tegen het gevoel “niet gezien te worden.” Dat is goed nieuws voor iedereen, die begaan is met de samenleving. De kerk laat zien, ze daarin door haar diaconaat, een dienstbare rol kan spelen met een op oog voor de kwetsbaren in de samenleving.
Wie goed kijkt ziet dat ook op andere plaatsten gebeuren. Hulpverlening vanuit de Westfriese Kerken.
Straatpastoraat ten dienste van daklozen.
diaconieën en PCI’s; Schuldhulpmaatje!

Zo geven de kerken vorm aan gastvrijheid en hulpvaardigheid,
die Martha laat zien in ons evangelieverhaal.
Ja, wir schaffen das…


Maar toch…toch heeft het voorbereiden
van deze dienst me opnieuw bepaald bij de rol van Maria,
die zich nestelt aan de voeten van de Heer,
om onderricht te ontvangen. Zij wil zijn leerling zijn.

Het diaconaat is heel belangrijk,
maar we moeten ook blijven leren!
De verhalen van deze zondag roepen ons daartoe op,
want het Woord Gods is schaars geworden in Europa.”
Angst en geweld regeren. Paranoia drijft leiders van grote landen
aan de randen van ons werelddeel.

Lieve mensen.
Angst en geweld brengen de vrede in gevaar.
Het is een groot voorrecht te mogen vertrouwen
op de belofte dat God naar omziet naar hen die daarom bidden.

Je mag erop vertrouwen dat hij jou en mij kent als individu
Je mag erop vertrouwen dat hij omziet naar de samenleving.
Hij daagt ons uit, barmhartig te zijn voor de armen, gastvrij voor vluchtelingen en asielzoekers, compassie te hebben met daklozen
en zorg te dragen voor ouden van dagen… en waakzaam te zijn;
want de De Hofni’s en Pinehassen van 2016 slaan wild om zich heen.
De Peninna’s van deze wereld, halen het bloed onder je nagels vandaan.
God geve dat ook wij mogen horen bij de stoet uit lied 737,
waarin  Hanna meeloopt omwille van haar opstandigheid…
waarin muzikanten David, met harp en al, protestliederen zingt zoals psalm 92. Waar Paus Gregorius ons gregoriaanse leert zingen
Bach zijn koralen. Luther is er ook… 95 stellingen omvat zijn petitie!  Ja, ze zijn er allemaal… De negers met hun loftrompet en de joden met hun ster en alle anderen die arm zijn en achterop gezet,
de vromen van oudsher. Het is fantastische stoet.
Ze komen van alle kanten. De kinderen gaan voor.
En kijk eens wat daar aan komt rijden:
Een wagen, volgeladen met oude wijven…

Nee kijven doen ze niet meer…
Want de genade zegeviert.  

Dat het zo mag zijn
in de naam van de vader en de zoon en de Heilige Geest.
AMEN