Lezingen: Jeremia 14:7-10 en 19-22 
                 Lucas 18:9-14



Lieve mensen van God

Je krijgt maar één kans voor een eerste indruk.
Zo is dat in onze op uiterlijkheden gerichte maatschappij.
Veel mensen krijgen zelfs die ene kans niet.
Het beeld van die mensen ligt bij voorbaat vast.
We stoppen iemand vaak, nog voor we maar één woord
met hem hebben gewisseld, in een bepaald hokje.

Ik betrapte mezelf er deze week nog op.
Ik wandelde door het wijkpark en zag een wat sjofel geklede man rommelen in een afvalbak.
Hij kwam meteen in het vakje `dak- en thuisloos` terecht.
Ik aarzelde wel even, maar liep toch door.
Thuisgekomen stuurde ik een mailtje naar de straatpastor.
Die is het park ingegaan maar trof de man niet meer aan.

De volgende dag sprak ik de straatpastor.
Ze zei: Je had kunnen vragen of hij niet liever met iets anders wilde eten. Een patatje met… of een broodje haring of zo.
Ik vertel met het schaamrood op mijn wangen,
want tot die dag vond ik – als voorzitter van de stichting Straatpastoraat –  al heel wat deed voor deze mensen.

Maar dan ga ik deze dienst voorbereiden.
Ik lees bij Lucas een verhaal dat begint met…
met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden…
en anderen minachten… Ik voel me aangesproken…
en dat werkt meteen op de kleur van mijn wangen.

Mensen die zichzelf rechtvaardig vinden en de ander minachten
Dat is een onmogelijke combinatie.
Wie een ander minacht, is niet rechtvaardig.
Een rechtvaardige weet: “De ander is als jij!”
Een rechtvaardige vergeet niet dat hij ook zelf dakloos kan worden;
dat ook zij verslaafd kan raken aan drank of andere drugs.
 
Het verhaal is bestemd voor mensen,
die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten.
Je denkt dan al snel: “In dat hokje pas ik niet,
dus dat verhaal is niet voor mij bestemd.”
We hebben ook een beeld van onszelf…

We vergelijken onszelf graag met anderen en dan komen we er meestal best goed af. We zijn blij dat we protestant zijn, want
die katholieken… We zijn blij dat we op een dorp wonen,
want die stedelingen…  Wie zich aan een ander spiegelt,
spiegelt zich zacht – zegt het spreekwoord.

Toch zijn er ook momenten waarop je ineens anders gaat kijken.
Dat overkwam mij dus, toen ik die tekst las…
De vraag is dan: Klopt ons zelfbeeld wel met
de manier waarop God naar ons kijkt?
Wie zich spiegelt aan de Bijbel,
spiegelt zich vaak veel minder zacht.

De gelijkenis zet eigenlijk twee karikaturen tegenover elkaar:
een farizeeër en een tollenaar.

Zo’n tollenaar is een landverrader.
Een soort NSB-er, die collaboreert met de vijand;
Een tollenaar is zo’n type dat overal een slaatje uitslaat.
In de synagoge zie je hem niet.

Een farizeeër is iemand die theologie heeft gestudeerd.
Een vroom man, die de Thora goed kent en mensen
kan adviseren bij allerlei godsdienstige vragen.
Hij is iemand die op tijd zijn gebeden zegt…
zich houdt aan de regels van het vasten
en keurig een tiende van zijn inkomen afdraagt.
.
We hebben niet alleen een beeld, maar ook een oordeel:
De farizeeër is goed; de tollenaar is fout…
 

Maar in Jezus’ manier van denken, liggen die zaken heel anders.
Niet alleen vandaag, maar ook op de afgelopen zondagen is uit de Bijbelse verhalen wel gebleken dat Jezus van zulke oordelen, zeg maar gerust vooroordelen, niets moet hebben.
Vorige week was het een onrechtvaardige rechter, die toch recht deed. Op de zondag daarvoor worden tien melaatsen genezen,
een komt er terug om God te danken. Een Samaritaan.
“Je Samaritaanse geloof heeft je behouden.” zegt Jezus.
Ja, ook een ander geloof, een andere godsdienst kan mensen brengen tot een goed en zinvol leven.

Wij verdelen de mensheid in “good guys” en “bad guys.”
In goeie en slechte mensen.
We kennen ze niet, maar toch.
Ik moest denken aan een lied van Willem Vermandere,
een Vlaamse troubadour. Het gaat over een man die in zijn dorp wordt aangeduid als Pierre de Beeste. 

Mensen hort en komt al te gare
zet junder nere en ziet da’j’t verstaat
want ‘k ga j’gaan vertellen van Piere, de beeste
ne reus van ne vent, ne rare karwaat

Je kon het al zien van kleins in de wiege
dat kind was uitzonderlijk kloek gemaokt
hij schupte en stampte zo met z’n beentjes
hij is zelfs ne keer deur zijn wiege gezakt
Hij groeide, hij groeide, hij bleef ie maar groeien
groeien zonder ende, ’t was leutig om zien
zijn maatjes in schole kwamen maar met moeite
ze kwamen maar met moeite tot just aan zijn kniên

En je kan nu wel peinzen dat ventje had honger
een groot boerebrood was ’t beginnen nog nie weerd
zijn vader moest wroeten slag om slinger
want Piere kon eten, eten lijk een peerd

En Piere wrocht heel zijn leven bij de boeren
en trok ie de karre en slachtte het zwijn
e sliep in de koeistal bie de beesten
want in een bedde en kost ie niet in

En Piere bleef jonkman mo ja zo’n posture
nie voor zijn leute want ’t dei hem wel zeer
als ’t jong volk ging dansen en vrijen langs de strate
en heeft nog gebleit, ja meer dan ne keer

Maar hij velde de bomen en droeg z’op zijn schoere
honderden kilo’s ie smeet z’in de lucht
e was ie de sterkst’n van uren in ’t ronde
de grootsten bandiet goenk voor hem op de vlucht

En de mensen zeiden, ja, ze zeggen zo vele
waar of geen waar, maar ze zeggen ’t alijk
ze zeiden: Dag Piere, en peinsden, “de beeste”
zo trekken z’een mens zijne name door ’t slijk

’t Is waar maar hij leefde ie just lijk een beeste
veel schone praat kwam d’er nie uit zijn mond
e goenk van ze leven nooit naar de messe
en z’hebben hem begraven lijk nen hond in de grond
Maar as’k nu nog peize op Piere, de beeste
dan schiet er in mijn kop nog altijd die wens
der moesten der meer zijn lijk Piere de beeste
want dat was een kerel, dat was nog een mens.


voor wie het niet allemaal heeft kunnen verstaan:
De mensen in het Wilems West-Vlaamse dorp,
hebben Pierre ingedeeld bij de beesten.
De zanger, zelf ook een vrijbuiter,
kijkt anders naar die Vlaamse reus
Er moesten er meer zijn als Piere de beeste;
want dat was een kerel, dat was nog een mens!

 

Deze ballade roept je, net als de gelijkenis, op je mening bij te stellen.
Anders naar mensen te kijken; niet de oordelen over…
maar… Ja wat dan?


De farizeeër, klopt zichzelf op de borst. figuurlijk
Heer ik dank u dat ik niet ben zoals die tollenaar.
Hij scheert die andere man al biddend over een kam met rovers,
en ander onrechtvaardig en overspelig tuig van de richel.
Nee, dan ik Here God, ik vast twee keer per week en ik geef 10% van mijn inkomen weg. Goed hè, God, vind u me niet geweldig? Heel wat beter dan die kerel die daar ook staat te bidden: die geeft niks weg hoor, die schraapt alleen maar.

De tollenaar klopt zichzelf ook op de borst – letterlijk.
Zijn ribbekast zit vol verdriet en wroeging
over alles wat hij heeft misdaan.
Hij begint zijn gebed met een boetedoening.
Psalm 51: 3 klinkt mee:
Wees mij genadig god, in uw trouw;
u bent vol erbarmen, doe mijn daden te niet…


De tollenaar doet een beroep op Gods genade,
en god is hem genadig. In vers 14 staat het:
Ik zeg jullie: Hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is.

Rechtvaardig –
Bij het begin van het verhaal klonk dat woord m.b.t. de farizeeër;
aan het eind blijkt alles omgekeerd: De tollenaar is gerechtvaardigd.

Wat wil Jezus nou met al die gelijkenissen, waarin blijkt dat ons vooroordeel niet altijd spoort met de manier waarop God naar mensen kijkt.  

Jezus zet ons met de deze gelijkenissen op het spoor van
“recht doen aan medemensen.” Doe je iemand die de vuilnisbak
afstruint in het park recht, als je hem zomaar voorbij loopt?

Op Trafalgar square in Londen staat een kerk: Saint Martin in the fields. Die keurige kerkgemeenschap zorgt voor dak- en thuislozen.
De dominee, Samuel Wells, is ook hoogleraar christelijke ethiek.
Iemand dus die op academisch niveau nadenkt over goed en kwaad,
maar tegelijk met zijn poten in de modder staat. Hij vertelde een paar weken geleden in Trouw: We hebben in onze kerk een soep-keuken voor dak- en thuislozen. ’s Morgens komen vrijwilligers soep koken.  Het is voor hen heel verleidelijk om als de cliënten zitten te eten, alvast de pannen schoon te maken. Maar als ze dat doen schiet de hele soepkeuken aan zijn doel voorbij, want het gaat nu juist om dat half uurtje samen aan tafel. Het gaat namelijk helemaal niet om de soep, het gaat om dat half uurtje samen zijn, om elkaar in de ogen te kijken…  Vandaag wil ik bij jou thuis komen eten, zegt Jezus tegen Zacheüs, en met die woorden gaat voor die eenzame zondaar de hemel open… Er-zijn voor de ander is de kern van ons geloof.
Gods Naam groot maken op aarde: IK ZAL ER ZIJN VOOR JOU.

Jezus  roept ons op om onze vooroordelen te laten varen,
onze eigen frustraties met een korreltje zout te nemen.
Jezus roept ons op om onbevangen mens te worden…
te leven zoals jonge kinderen dat doen…
die nemen het leven zoals het komt…
in het vertrouwen dat pappa en mamma voor hen zorgen

Zo mogen ook wij, volwassenen leven
in het vertrouwen dat de VADER, die ons kent, voor ons zorgt
en dat de anderen broeders en zusters zijn,
die we mogen leren kennen en waar we  –
als het nodig is – voor mogen zorgen.

Bij God is niet de eerste indruk beslissend.
Hij stopt ons niet in een hokje,
maar geeft ons de ruimte
om te worden wat we zouden kunnen zijn: MENS naar zijn beeld

Een mens, die leeft zoals Jezus het ons heeft voorgedaan.
Hij laat ons zinvol leven zien
Hij leert ons wat rechtvaardig is
of om Samuel Wells nog eens te citeren:
DE bijbel is een soort trainingsboek met aanwijzingen;
het leert je te improviseren in de situatie waarin je je bevindt.

Daarvoor moet in elk geval je vooroordelen opruimen.
In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest – Amen