OPSTANDING  / mede naar aanleiding van Peter Rollins verhaal met die titel in `De orthodoxe ketter`

Lieve mensen van God.

Het is inmiddels de vijfde zondag van Pasen,
maar bij Lucas is het nog steeds de eerste paasdag.
De Emmaüsgangers zijn teruggekeerd naar de leerlingen.Die twee zijn nog aan het vertellen als Jezus in hun midden komt.

Even denken ze een geestverschijning te zien.
Nou, daar hoeven ze niet bang voor te zijn.
Ze mogen hem aanraken, zijn botten voelen
en even later eet hij zelfs een stuk geroosterde vis.
Geesten kun je niet aanraken – en eten doen ze al helemaal niet.

Probeert Lucas zijn lezers te overtuigen van de lichamelijke opstanding? Misschien. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik heb daar moeite mee.
Mijn gezond verstand kan maar niet uit de voeten met de gedachte dat iemand, die al drie dagen dood is, terugkeert in het land der levenden. En het uwe? Vindt u dat een geloofwaardig verhaal? Ik zal het maar eerlijk zeggen: Ik niet.

Nu hoor ik sommigen denken: Daar heb je weer zo’n voorganger,
die het zelf niet meer gelooft. Een ander toehoorder oordeelt niet meteen en stelt eerst een belangstellende vraag: “Geloof jij echt
niet in de opstanding?” en mijn antwoord luidt: “O zeker wel.
Ik geloof wel degelijk in de opstanding.” “Hoe dan?”
is de volgende vraag van die belangstellende kerkganger.
Ik wil best proberen daar wat meer over te vertellen,
maar ik aarzel ook een beetje, want het is best moeilijk.
Het gaat namelijk over iets onzegbaars. Het wonder van Pasen,
daar zijn eigenlijk geen woorden voor. Het is zo on-voor-stel-baar.
Maar goed, ik doe een poging.

Ik begin die poging met een ontregelend verhaal van Peter Rollins.
Peter Rollins is een jonge Ierse theoloog. Hij schreef diverse boeken, waaronder: “The orthodox heretic.”
Het is uit het Engels vertaald door ds. Rudolf Kooiman uit Hoorn.
Het is – als we de ondertitel mogen geloven – een boek vol onmogelijke verhalen. Een van die verhalen heet “opstanding.” Ik vat het eerste deel samen en het slot lees ik letterlijk voor:

Een groep verder onbekende leerlingen van Jezus vertrekt stante pede
– met wat schamele bezittingen – uit Jeruzalem. Ze willen geen dag langer blijven in de stad, waar hun Messias zojuist is gekruisigd, gestorven en begraven.

Na een lange reis vinden ze een plek waar ze zich thuis voelen.
Die is wel afgelegen, maar de grond is vruchtbaar, het water schoon
en uit het bos halen ze materialen om hutten te bouwen.
Ze stichten een gemeenschap, die de gedachtenis aan Christus levend houdt. Ze leven in liefde, eenvoud en vergevingsgezindheid.

Honderd jaar later bestaat die gemeenschap nog steeds. Ondanks hun intense verdriet over zijn dood, volharden de leden in Jezus’ manier van leven. Hij mag niet voor niets zijn gestorven!

Op een dag arriveren er enkele zendelingen. Die zijn verbaasd hier zo’n gemeenschap aan te treffen. Wat hen het meest verwondert is, dat deze mensen geen weet hebben van Jezus’ opstanding en hemelvaart.
Ze hadden Jeruzalem namelijk direct na zijn kruisdood verlaten.
Nog voor de derde dag.

Zonder enige aarzeling roepen de zendelingen alle leden van de gemeenschap bij elkaar en vertellen het grote nieuws van Pasen.
Die avond is het groot feest in het kamp.
In de loop van de nacht, ontdekt een van de zendelingen,
dat de leider van de gemeenschap ontbreekt.
Na lang zoeken vindt hij hem,
gehurkt zittend in hutje aan de rand van het kamp.
Hij is in tranen en bidt hartstochtelijk tot God.

“Waarom bent u zo verdrietig,” vraagt de zendeling.
“Het is toch tijd voor een groot feest!”
“Ja,” antwoordt de oude man, “het is misschien wel tijd voor een groot feest, maar het is ook een dag van groot verdriet.” Hij blijft in zijn gehukte houding zitten. “Weet u, sinds de stichting van onze gemeenschap hebben we geprobeerd Christus’ instructies op te volgen. Zelfs als het ons grote inspanning kostte, of als er gevaar dreigde, zetten wij zijn manier van doen plichtsgetrouw voort.
We bleven daarin volharden.
Wij lieten ons niet ontmoedigen door de gedachte
dat de dood hem heeft verslagen en ooit ook ons zal verslaan.”

De oude man komt langzaam overeind. Hij kijkt de zendeling vol mededogen aan. “Elke dag hebben we ons leven op het spel gezet,
omdat wij voor hem een offer wilden brengen. Hij was ons hele leven.
Maar nu we van jullie dit nieuws hebben gehoord,ben ik bang dat mijn kinderen en kleinkinderen hem niet zozeer zullen volgen wegens zijn radicale manier van leven en om zijn ultieme zelfopoffering, maar veeleer uit egoïsme: zijn offer verzekert hen nu immers van hun persoonlijke redding en van een eeuwig leven.” Als hij dit gezegd heeft, verlaat de oude man de hut. Terwijl hij op weg gaat naar het feest, waarvan de geluiden vanuit de verte te horen zijn, blijft de zendeling achter. Gehurkt zittend op de grond.

Tot zover Peter Rollins
 

Op paasmorgen, mocht ik ook bij u voorgaan de dienst, hier in de Kapel. Toen mocht ik die grootse woorden laten klinken: De Heer is waarlijk opgestaan. Ik vind het geweldig om dat te mogen doen; maar ik zou het niet kunnen, als ik die opstanding niet – af en toe – soms even – werkelijk zou zien gebeuren. En, echt waar, ik zie het af en toe – soms even – gebeuren. Nou gebeuren… Geschieden is een beter woord.
Het opstandingsverhaal is geen historie, geen geschiedenis,
maar een gebeuren dat elke dag geschiedend is. Het geschiedt voor onze ogen, maar we zien het heel vaak niet.

In het verhaal van Rollins geschiedt de opstanding nog voor de gemeen-schap ooit het verhaal van Paasmorgen heeft gehoord. Die gemeenschap gelooft niet in de opstanding, ze leeft de opstanding. De gemeenschap is de opstanding. Ze leeft in liefde, barmhartigheid en vergevingsgezindheid.

Dat verhaal zet aan tot denken. De woorden uit vers 44 komen me voor de geest: “Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd, dat alles wat in de wet van Mozes, bij de profeten en in de psalmen over mij geschreven staat, in vervulling moest gaan.” Toen ik nog bij jullie was…
Hij is nu dus niet meer bij ons.

Dit alles moest geschieden. Niet omdat dit alles van God zo nodig moest, als een soort genoegdoening voor de zonden van mensen. Nee, de opstanding is het logisch gevolg van zijn manier van leven.
Die levenswijze ligt zo zeer in de lijn van de wet en de profeten, dat het gewoon niet anders kan of de machten gaan ten onder…
Ze leggen het af, zoals de legers van de farao ondergaan in de Schefzee.
Machten storten in, als de ramshoorn klinkt…de muren van Jericho
Machten vernietigen zichzelf als er op de sjofar wordt geblazen,
zoals in het verhaal van Gideon.
Machten vallen, door een steentje zo klein als het menselijk geloof,
denk maar aan David en Goliath.

Jezus leefde met die instelling; Hij vereenzelvigde zich zo met die verhalen… Hij leefde ze… Hij werd de schrift in mensengestalte…
de incarnatie van Gods woorden, het vleesgeworden woord.
Hij heet “Het levende Woord.” Jezus is de incarnatie van Tenach…
Hij leeft zijn joodse bijbel.

De gemeenschap in het verhaal van Rollins neemt die leefwijze over.
Kan het zijn, dat daarin onze roeping ligt?
Kan het zijn, dat wij geroepen zijn de incarnatie te worden van zijn verhaal? De gemeente, het vleesgeworden evangelie? Nee, niet u of u persoonlijk – maar als gemeenschap. Zoals Jezus zijn Heilige Schrift
(Ons oude testament) leefde, zo radicaaal mogen wij het evangelie zichtbaar maken in ons bestaan. In Venhuizen hebben ze een lied van de maand… Daar zingen ze in April:

Ons heeft de Heer met liefde neergeschreven,
leesbaar voor mensen, als zijn erfenis…
Ons leven mag zich voluit laten lezen
herkenbaar als zijn eigenhandig schrift.

Wie kan in ons een brief van Christus lezen,
Als niet de Geest ons aan elkander rijgt
die ons als dode, levenloze letters
beademt en tot nieuwe zin herschrijft.

Om woord voor woord zijn liefde te vertalen
dat blijft voor ons bestaan het doel, de zin.
Om mensen zijn ontferming te herhalen
zijn wij gezonden deze wereld in.


Voor de gemeenschap in het verhaal van Rollins was het altijd Stille Zaterdag gebleven… Jezus is overleden, maar zijn leerlingen vinden een plek om in gemeenschap met elkaar zijn levenswijze door te zetten.
Jezus is niet overleden, maar niet dood!

Van Jezus’ lijden en sterven wordt telkens weer benadrukt dat het moest gebeuren. Als je dat zegt, zonder zijn opstanding daarbij te betrekken, dan maak je van God een ongelooflijke wreedaard. Er moest niks, het is
de logische consequentie van Jezus’ lieve leven: liefde, barmhartigheid en opoffering roept weerstand op. Dat maakt de machten bang. Bang de controle te verliezen. Als de liefde, de barmhartigheid en de opofferings-gezindheid van Jezus opstaat in een geloofsgemeenschap. Dan wordt het voor machthebbers, linke soep. De gemeenschap in Rollins verhaal is zo’n geloofsgemeenschap, een parochie, een gemeente – Het lichaam van Christus, de opgestane Heer.

Dat is wat de Emmaüsgangers ervaren. Niet het brood, maar het “breken en delen” verschaft zicht op wie hij is! Niet het brood en de wijn zijn heilig, maar het feit dat we rond de tafel van de Heer een maaltijd-gemeenschap vormen, die doet wat Hij heeft gedaan: breken en delen.

De leider van de gemeenschap in Rollins verhaal brengt een flink deel van de nacht door in tranen en gebed. Waarom huilt die man? Wat baart hem zorgen? Niet de opstanding zelf, maar de manier waarop gelovigen ermee om zullen gaan. Hij vreest een omslag van: “Jezus heeft het ons voorgedaan” en roept ons op tot navolging, naar “Jezus heeft het voor ons gedaan” wij hoeven het zelf niet meer te doen… en dan is het maar een kleine stap naar: Wij hoeven zelf niets meer te doen.

Hij vreest dat zijn kinderen en kleinkinderen Jezus niet zullen volgen,
door radicaal te kiezen voor liefde, barmhartigheid en opoffering;
Dat heeft Jezus immers al gedaan!
Als je dat nou maar gelooft, dan betekent zijn offer, jouw redding;  
Dat geloof is een soort eeuwig-levensverzekering voor het hiernamaals.
De oude man is bang voor die instelling. Als de kerk op die manier met Jezus aan de haal gaat, zullen de machten hun gang kunnen gaan.
Is die man terecht bezorgd? Zou Hij gelijk kunnen hebben?

De leider gaat naar het feest. De zendeling blijft achter in dat hutje. Zittend op zijn hurken… wat doet hij daar? Huilt hij misschien? Kwelt hem de vraag of hij iets heeft stuk gemaakt met zijn “blije boodschap?” Bidt hij misschien? Vraagt hij God de opstanding overal op aarde ZO zichtbaar te laten worden in liefde, barmhartigheid en opoffering.
Misschien komt hij in die nacht tot de ontdekking,dat de wereldwijde gemeenschap van de kerk nog veel meer moet gaan lijken op de gemeenschap die nooit van opstanding had gehoord?

De zendeling zit op zijn hurken in dat hutje…Wat doet hij?
Het verhaal vertelt het niet… Natuurlijk niet! Die gemeenschap leefde de opstanding zelfs zonder verhaal. Ook de opstanding moet geschieden …  Het is het logisch gevolg van Jezus’ leven, dat zich kenmerkt door liefde,
barmhartigheid en opoffering. Die manier van leven is uiteindelijk zo sterk, zo nuttig, zo duurzaam, zo effectief dat de opstanding niet uit kan blijven. Hoe?

Misschien doen we er goed aan nog heel even in dat hutje op onze hurken te blijven zitten. Nog even tijd nemen om die opstanding
goed tot ons door te laten dringen. Tot Pinksteren…
En dan… Dan gaan we vieren dat we geroepen zijn…
Weggeroepen uit invloedsfeer van wereldse machten als geldzucht, machtswelllust, egoïsme, manipulatie, verslaving aan drank,
drugs, seks, gokken…

Met Pinksteren worden we weggeroepen uit invloedsfeer van de angst.
Angst; degenen die streven naar macht zullen je opzadelen met angst;
Ze zullen je proberen op te zetten tegen andere mensen. Ze zullen je leren denken in wij–zij
Wij en de mensen met andere gewoonten
Wij en de andersgelovigen  – Wij en de andersgekleurden
Wij en de andersdenkenden – Wij en degenen die ergens anders vandaan komen – Wij en die anderen. Wij en zij!

Het zijn niet de anderen, die angst aanjagen. Dat doen politici,  die denken daar baat bij te hebben. Die bekommeren zich niet om jou!
Die willen alleen jouw stem… Op weg naar hun macht.

Maar… wij – u en ik – wij zijn geroepen om op weg te gaan,
op te staan, te reizen naar het land dat God zal wijzen…
het land van liefde voor medemensen, barmhartigheid tegenover vluchtelingen en opofferingsgezindheid, als dat nodig is om recht te doen.
In de naam van de vader en de zoon en de Heilige Geest – AMEN.