Lezingen:
Daniel 3: 34-45 (Willibrordsvertaling)
Lucas 15:1-10

Gemeente van Onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God.

Bijbelse dromen hebben de neiging waar te worden…
Nebukadnessar droomt een groot beeld…
Gouden hoofd. Lemen voeten. Het valt om.
Hij weet, voelt dat de droom werkelijkheid wordt. Maar hoe?
Wat betekent het voor hem? Voor zijn macht? Voor zijn immense rijk? Geen idee. Maar… Om dromen te duiden heeft hij een hele batterij
wijzen in dienst.  

De wijzen van het hof blijven in gebreke…
De koning kondigt rigoureuze maatregelen aan.
Wat heb je nou aan duiders, die niet duiden kunnen.
Daniël  vraagt clementie, Hij redt die niet-duidende wijzen het leven.
Het gouden hoofd van het beeld is het koninkrijk van Nebukadnessar.
De lemen voeten … een toekomstig rijk dat eenmaal een iend maakt aan heel dat wereldrijkengedoe. De uitleg van de droom is een droom-uitleg. De koning voelt zich vereerd en is gerustgesteld. Na hem de zondvloed.
Het zal zijn tijd wel duren… en dat vindt hij lang genoeg.

Daniel, die de droom duidde komt in hoog in aanzien bij de koning.
Hij en zijn vrienden maken – zeker voor allochtonen – een droomcarrière.
Voor ‘s konings eigen wijzen… is het een nachtmerrie.

Het gouden hoofd maakt Nebukadnessar overmoedig…
Er verrijst een gigantisch beeld van hemzelf en van goud.
Niet alleen het hoofd, van top tot teen: goud.
Het droombeeld van elke dictator. 

Elke onderdaan moet er voor knielen. Iedereen gaat op de knieën,
als voor een god. Het droomscenario van absolute machthebbers.  

Maar Sadrach, Mesach en Abednego weigeren…
“Maak geen gesneden beelden en werp je daarvoor niet neer…”
“De vurige oven!” luidt het vonnis. Verterend vuur moet hun droom vernietigen; In de vurige oven moet een traditie worden uitgebannen.
Maar deze droom heeft voor heter vuren gestaan.

Sadrach, Mesach en Abednego zijn gedwongen namen te dragen,
die verwijzen naar  Babylonische goden… Ballingen worden behandeld  alsof het dingen zijn, waar je een ander etiket op kan plakken.  

Deze dragers van de joodse traditie hebben andere dromen leren dromen.  Dromen van recht en vrede; dromen van vrijheid en barmhartigheid.
Sadrach, Mesach en Abednego zijn ook voor ons bekende namen,
maar wie weet hun echte, hun joodse namen?
Chananja   – God is genadig.
                      Genade komt in een heidens woordenboek niet voor…
Azarja        – God is mijn helper… Helper? Dienaar?
                      De mens dient de godheid, zegt de heiden.
                      Nee, zegt de Schrift …Godsdienst is: Gods dienst aan mensen.
Misaël        – God is uniek. Ja inderdaad: zo is er maar EEN. Totaal anders
                     dan alle andere. Der Ganz Andere, zei Karl Barth.  

Geen vlam, die daar vat op krijgt. Geen vuur, dat die droom verteert.
Daar te midden van dat vuur klinkt het gebed van Azarja,
waaruit we een gedeelte hebben gelezen…
Het kernwoord: ootmoed.

Azarja, God is mijn helper… Een ootmoedig mens, vertrouwt zich toe aan de Gods genade; Een ootmoedig mens gelooft in dat unieke karakter van
Israëls God
Waar de droom-uitleg, de droomcarrière, het droombeeld en het droomscenario van Nebukadnessar getuigt van de macho-instelling, 
die heidense goden eigen is; ligt de kracht van Azarja in zijn ootmoed,
zijn overgave, zijn onbegrensd vertrouwen; maar ook in zijn vrijmoedigheid om God aan te spreken op diens beloften…

Azarja heeft het lef om in de spiegel te kijken…
te erkennen dat ze als volk de mist in zijn gegaan.

Veel christelijke bijbeluitleg heeft dat eeuwenlang onderstreept.
De joden gingen de mist in. God begint opnieuw de christenen.
Wij moeten erkennen dat onze traditie de ootmoed van Azarja,
misbruikt heeft om zichzelf te verheffen.
Zo kwamen we op het spoor van Nebukadnessar terecht
en stookten de ovens van Auschwitz en Dachau nog eens extra hoog op!

Azarja vraagt God niet om bevrijding uit die oven.
Azarja is zo vrij God aan te spreken op om zijn beloften;
Azarja roept de Heer op zijn Woord gestand te doen:
maak ons niet nog meer te schande,
want dan gaat de droom verloren…
Er moet toch iemand zijn, die laat zien dat U die ene, unieke God bent…
opdat de wereld U zal leren kennen als een God die dient.
Azarja spreekt God aan op zijn dienstbaarheid, zijn barmhartigheid.
Dat doet de tollenaar in de gelijkenis ook:
Heer, wees mij zondaar genadig.

Het gaat niet aan, de farizeeër af te wijzen
en je te identificeren met de tollenaar;
Ze houden ons samen een spiegel voor…
De droom van een perfect leven, door je te houden aan alle regels,
spat uiteen. Je kunt niet leven zonder je handen vuil te maken…
Wie ze schoon denkt te houden,
wie meent het beter te doen dan de ander
vervalt al gauw in hoogmoedige zelfverheffing.

Wie zo denkt, richt een beeld op van zichzelf, zoals Nebukadnessar,
Het gouden droombeeld, dat jouw rijk, jouw godsdienst, jouw leefwijze,  jouw politiek systeem, het enige juiste zou zijn…
Wie denkt in zulke perfecties, bouwt aan een droomscenario
 zoals dat van Nebukadnessar: iedereen moet buigen voor mijn beeld,
mijn zienswijze, mijn godsdienst, mijn politiek systeem.

Kijk eens wat vaker in de spiegel van verhalen…
De spiegel die de tollenaar je voorhoudt bijvoorbeeld.
Dat is een mens die vuile handen heeft gemaakt…
maar die vuile handen balt tot vuisten en zich op de borst slaat.
Spijt en wroeging maken hem tot een ootmoedig mens;
iemand die zijn plaats weet, juist omdat hij die plek te midden van zijn medemensen heeft verspeeld.

In het christendom worden de farizeeër en de tollenaar tegen elkaar uitgespeeld en losgezongen van de werkelijkheid.
Het zijn allebei joodse mensen in een joods verhaal.
Jezus, de verteller, is een joodse rabbi .
Wij, christenen, vergeten al te vaak, dat Jezus geen christen was,
maar als joods jochie is geboren en als joodse man is gestorven
en begraven.

Toch zongen we nog niet zo heel lang geleden nog uit volle borst:
Welk een vriend is onze Jezus…

Overal ter wereld kom je mensen tegen, die hun religie, hun nationaliteit,
hun politieke visie, hun maatschappelijk systeem als de enige echt goede beschouwen en neerkijken op andere…

Menig Christen acht zijn godsdienst mijlenver verheven boven de Islam,
en denkt dat die het jodendom vervangt. De ootmoed is ver te zoeken.

Misschien moeten we, hoe verschrikkelijk de aanslagen in Europa ook zijn,
ons realiseren dat de slachtoffers, vooral ootmoedige moslims zijn in het midden oosten, die niets liever willen, dan leven in rust en vrede.  

Misschien moeten we, hoe dierbaar onze waarden ons ook zijn, leren ze niet op te leggen aan anderen, maar ze zo voor te leven dat anderen ze graag aanvaarden.  Gewoon, in alle ootmoed.

Misschien moet het christelijke westen, niet overal ter wereld politieagent willen spelen, omdat we daarmee onze eigen traditie naar beneden halen,
en dat is heel wat anders dan de ootmoed van Azarja en de tollenaar.  

In het ene verhaal is het de vrome jood Azarja;
in het andere een naamloze joodse tollenaar,
die ons laten zien waar onze plaats als gelovige is:
ootmoedig te midden van onze medemensen…
met vuile handen levend op weg naar de realisering van een droom,
die ons wordt aangereikt door een God, die zijn mensen dient.  

Tussen droom en werkelijkheid, ontbreekt het bij joden, christenen en moslims aan… ootmoed. Dat betekent niet dat je de softie moet uithangen, maar dat je –in alle ootmoed – de dienende God mag aanspreken op zijn beloften, om daar vervolgens in vrede en ootmoed samen met anderen, aan te werken. Een oud adventslied bidt: 

Vervul, o Heiland, het verlangen, waarmee mijn hart uw komst verbeidt!
Ik wil in ootmoed U ontvangen, mijn ziel en zinnen zijn bereid.
Blijf in uw liefde mij bewaren, waar om mij heen de wereld woedt.
O, mocht ik uwe troost ervaren: doe intocht, Heer, in mijn gemoed!

Dat het zo mag zijn: in de naam van de vader en de zoon
en de Heilige Geest.

AMEN