jongerenwerk

Voorstellen…

 

Mijn naam is Ton Heijboer.  Anton Heijboer was m.i. een boeiende man, ik heb thuis ook een krijttekening van hem hangen, maar we behoren niet tot dezelfde familie.

Ik ben opgeleid als onderwijzer, werkte 12 jaar in het basisonderwijs, waarvan
7 jaar als hoofd van een oecumenische school in Zundert.

Ik studeerde daarnaast HBO-theologie aan de Hogeschool, die nu InHolland heet
en werkte 17 jaar bij de NZV o.a. als adjunct hoofdredacteur van Kind op Zondag, Kind op Maandag. In mijn tijd begonnen we met de advents- en 40-dagenprojecten,
het viertafeltje en met de rubriek “De gemeente viert” waarin we aandacht
vroegen voor de plaats van kinderen in de eredienst.

De NZV was – toen ik er kwam een vrijwilligersorganisatie en toe ik  er wegging een professionele uitgeverij. Ik ging er weg omdat mijn takenpakket daardoor heel erg was veranderd. In het begin schreef ik verhalen… aan het eind uitgeefplannen.
Ik vind het eerste aanmerkelijk boeiender dan het tweede.

Sinds 1998 ga ik als freelance kerkelijk werker door het leven. Ik was o.a. pastor in Zeevang, Schermer, Opperdoes en nu nog in Andijk. Ik was jongerenwerker in de rk parochie van Hoorn, in het dekenaat Hoorn, in de protestantse gemeenten van Langedijk-Noord en in Hoofddorp, studeerde musicals in met kinderen in Purmerend en jongeren van de parochie in Noord-Scharwoude, schreef musicals over “Judas” en “Maria van Hoorn” en schreef mee aan stukken over Abraham, Ruth, Simson en Paulus…
Die laatste musicals zijn gespeeld door de oecumenische tienertheatergroep SOWIESO uit Hoorn. Judas spelen ze nog tot komende zomer. Verder schrijf ik nog wel eens mee aan onderwijsmateriaal  en ga ik regelmatig voor in protestantse
kerkdiensten.

U merkt wel dat kinderen, jongeren en de oecumene een soort rode draad vormen door mijn leven. Bij kinder- en jongerenwerk hanteer ik het volgende uitgangspunt. 

 

Mensen nemen zoals ze zijn,
opdat zij kunnen worden wie ze zouden kunnen zijn.

Dat is het doel van kerk zijn: Mensen een ruimte bieden waarin ze kunnen worden wie ze ten diepste zijn: Mensen zoals God ze  bedoelt of zo u wilt: Kinderen van God.

We zijn ons veel te weinig bewust van het feit dat we geschapen zijn (op weg) naar Gods beeld. De wereld is niet af… De wereld wordt Gods koninkrijk. Wij zijn ook
niet af. We zijn levenslang op weg om mens te worden. Mens zoals God mensen bedoelt.
“Mensen nemen zoals ze zijn, opdat ze worden wie ze zouden kunnen zijn!”
Dat lijkt mij een uitstekend uitgangspunt voor kerkelijk werk in het algemeen
en kerkelijk jeugdwerk in het bijzonder.

Een tweede uitgangspunt heb ik wat later leren zien…

Wij houden ons bezig met godsdienst. Wij vinden dat jongeren zich ook met godsdienst zouden moeten bezighouden. Maar godsdienst wat is dat eigenlijk?

Godsdienst wordt doorgaans gezien als de dienst van mensen aan God;
maar m.i. gaat het bij godsdienst vooral om: GODS DIENST aan mensen.

God schept de wereld ten dienste van de mens.
God schept een tegenover ten dienste ten dienste van de mens.
God schenkt de mensheid zijn Woord op Sinaï … ten dienste van de mens

God schenkt zijn Zoon, ten dienste van de mensheid.
God schenkt aan de wereld zijn ecclesia ten dienste van mensen.

De kerk is geroepen om Gods dienst aan de mensheid vorm te geven. 

De kerk is geroepen tot dienstbaarheid aan de samenleving.

Nu lopen we het risico dat we veel te snel zeggen dat we het daarmee eens zijn.
In  veel gemeenten is men n.l. vooral bezig met de onderlinge band.
Wij bevorderen in hoge mate het clubgevoel.
Wij doen er alles aan om veel mensen naar de zondagse eredienst te krijgen.
Dat is prima, maar als de gemeente doel in zichzelf wordt… dan gaat er toch iets mis.

Als de kerk doel in zichzelf is, dan wordt het jeugdwerk gedaan om de toekomst van de kerk, terwijl het gedaan zou moeten worden om de toekomst van de jongeren.  

Kerkelijk jeugdwerk behoort niet te worden gedaan met het oog op de kerk, maar
met het oog op de jeugd. De kerk er is ten dienste van mensen in de samenleving.
Zo staat het kerkelijk jeugdwerk ten dienste van jongeren in diezelfde samenleving. 
Dat is geen nieuwe gedachte, maar wel een die we een beetje zijn kwijtgeraakt.

Dat komt omdat we ons zorgen maken om het voortbestaan van de kerk.
Dat is helemaal niet nodig want de kerk groeit als kool!
In de kerk van mijn collega in Bujumbura, Burundi deden met Pasen 62 mensen belijdenis. God dank hangt de toekomst van Gods kerk hangt niet af de kaartenbak
in Andijk of Hoogkarspel.

Dat zeg ik niet uit gemakzucht. Ik zeg dat vanuit mijn geloof, vanuit mijn
vertrouwen op God. Die relaxte benadering is nodig en bovendien een stuk
effectiever dan krampachtige pogingen om de jeugd naar de kerk te krijgen. 

 

 

Want jongeren hebben ogenblikkelijk door dat het niet om hen gaat…
maar om het instituut dat kerk heet.

Moeten we dan Gods water maar over God akker laten lopen?
Nee, natuurlijk niet. Maar laten we verder denken vanuit die twee uitgangspunten:

* We nemen mensen zoals ze zijn – opdat ze kunnen worden wie ze zouden kunnen
   zijn. Het gaat ons dus om “kwaliteit van leven.”
* Godsdienst = Gods dienst aan mensen. De kerk is er voor de samenleving.

 

Opa, ben ik eigenlijk wat?

Die vraag stelde pasgeleden een kleinzoon aan zijn grootvader: Ben ik eigenlijk wat? 

Ja natuurlijk, je bent… mijn kleinzoon; je bent een goede voetballer; je bent… 

Ja, opa, dat weet ik wel, maar ben ik nou katholiek of gereformeerd of  moslim?

De meeste tieners weten niet eens of ze bij een kerk ze horen, laat staan bij welke.

Daar kun je meewarig over doen, je wijze hoofd over schudden, maar dat helpt
niet. We nemen ze zoals ze zijn… Ze weten er niets van, omdat niemand hen er
iets over heeft verteld. En als het ze al is verteld  dan heeft kennelijk geen indruk gemaakt.

In mijn kinderjaren zag ik bijna alle volwassenen die ik door de week tegen kwam ook zondags in de kerk. De juf van de kleuterschool, de meester van de lagere school, de trainer van de hockeyclub, de dirigent van de harmonie, de leider van de CJV-club, de wika die in onze gemeente jongerenwerker was… enz. enz.

Ik ben hervormd opgevoed en al die mensen, mijn voorbeeldfiguren, waren
allemaal hervormd…  in het ergste geval zaten er een paar gereformeerden tussen.

Ik heb de zuilenmaatschappij nog net meegemaakt. Wij van de protestantse zuil, groeiden op met identificatiefiguren, die allemaal tot de eigen zuil behoorden.


Kinderen van vandaag gaan om met katholieken, met moslims, met evangelische
christenen en vooral met veel mensen zonder religie. Protestantse Scholen fuseren
met katholieke en openbare. “Godsdienst” is soms nog wel een verplicht schoolvak…
maar wie daar iets voor doet, wordt voor gek verklaard… terwijl enige kennis
van godsdienstzaken echt een hoop narigheid zou kunnen voorkomen.

Een voetbalclub op christelijke grondslag is ondenkbaar geworden. En dat terwijl
die mooie sport hoe langer hoe meer ontaard in prestatiegerichte gevechten
waarop de kreet: “Voetbal is oorlog” steeds meer van toepassing lijkt. 
Vooral langs de zijlijn.

Je had vroeger zelfs een christelijke geitenfokvereniging. Dat is in onze open maatschappij onvoorstelbaar, terwijl het wemelt van de ethische vragen rond dierenwelzijn, megastallen, koosjer en halal slachten enz.

Wij, kinderen van de protestantse zuil, groeiden op met een groot aantal identificatiefiguren, die allemaal tot de eigen zuil behoorden.

 

In mijn tienerjaren konden we op zaterdagavond iedereen tussen 12 en 18 veilig uitgaan in het kerkelijk jeugdgebouw! Alcoholvrij en geen geflikflooi. Op de vrijdag-soos kwamen de hervormde wika, de gereformeerde jeugdpredikant en de katholieke kapelaan regelmatig langs. U merkt in Hervormd Goes, waar ik opgroeide, braken we al een beetje door de zuilen heen. Een paar jaar later werd het CDA opgericht, in Zundert waren we in 1971 al een gefedereerde protestantse gemeente  Ik noem dat maar de periode van de doorbraak.

Voor ons in de zuil en tijdens de doorbraak waren onze ouders belangrijke identificatiefiguren, hoewel we dat als pubers niet snel toe zouden geven.
Maar ook de dominee, de wika, de kapelaan, de zondagsschoolleider, de voetbaltrainer…  Een schoolmeester die mooi vertellen kon, bracht mij ertoe voor onderwijs te kiezen.

 

Die identificatiefiguren.. Zijn ze er nog? Natuurlijk wel. Kinderen kunnen niet zonder. Het zijn echter niet altijd volwassenen. Het zijn juist vaak leeftijdgenoten. Het zijn zeker niet altijd protestanten. De meeste niet zelfs.  Probeert u zich eens met mij eens te verplaatsen in een dertien-veertienjarige…  Laten we met hem of haar eens op zoek gaan hun identificatiefiguren…

Je moeder is gelovig, je vader woont ergens anders.  Je vader was altijd je held. Zo zou je ook willen zijn… Maar nu laat hij je moeder in de steek. Wat moet je nou met die vader?  Identificatiefiguur? Nee, laat maar.  In de kerk heet God: Vader in de hemel. Dat is een problematische beeldspraak geworden.


We zoeken verder… Je moeder hoort bij de kerk. Haar nieuwe vriend moet daar niet veel hebben, maar hij gedoogt het geloof…  Om gedoe te voorkomen praat je moeder er niet over. Zij is jouw identificatiefiguur… dus, ook jij praat er niet over.

 

Ik ben 13. Mijn ouders zijn gescheiden. Ik ben op zondag dan eens bij mijn vader dan eens bij mijn moeder. Als je bij de een bent, moet je naar de kerk;  bij de ander mag je niet. Als ik kies voor het geloof, moet ik kiezen voor een van mijn ouders.
Dat is een onmogelijke keuze.  Dus: Ach, laat dat geloof maar zitten!

 
Is het dan allemaal de schuld van de gescheiden ouders? Nee natuurlijk niet.
Mijn vrouw en ik zijn 40 jaar getrouwd en onze kinderen gaan ook niet naar de
kerk… Hun vader was nooit thuis, was altijd voor die kerk op pad… Ongezellig hoor!

Ik ga nog even door… Ik ben 14. Mijn ouders zijn nog gewoon bij elkaar.
Ik zou soms best eens met mijn ouders over geloofszaken willen praten.
Veel  kinderen in mijn klas vinden geloven maar gek!

Maar als ik vraag hoe dat zit met de schepping en zo… dan krijg ik ontwijkende antwoorden. Ze weten zelf ook niet wat ze met die verhalen moeten, maar willen dat niet toegeven.  
Ik heb het mijn opa wel eens gevraagd… Maar die wil niet horen dat ik op school
moet leren over “de big bang” en zo… dan begint hij op de leraar te mopperen, die ik nou juist zo leuk vind. 

Ik ben 14 en heb op zondag nooit zin om naar de kerk te gaan. Mijn ouders houden niet van ruzie … dus: ik blijf lekker thuis. Trouwens mijn vader gaat dan ook niet…
Ga jij maar, zegt hij dan tegen mijn moeder… Ik zal wel op hem passen.


Een kerkdienst is vaak heel saai. Een meisje van 11 zei eens na een
pinksterdienst waarvoor de organist niet was komen opdagen… dominee, ik
vond het hartstikke leuk vandaag. Nu zongen we zoals op school … zonder dat
akelige grote orgel, maar wel in canon.  

Samengevat: Onze kinderen hebben wel identificatiefiguren nodig. Ze hebben er veel meer buiten dan binnen de sfeer van het christelijk geloof.

De leukste leraar is die modebewuste homo. Daar wil ik op lijken.  
De beste trainer is degene die prestaties neerzet. Wat nou Fair play?  
De drummer van dat bandje dat regelmatig speelt in het dorpshuis… waaawww. Identificatiefiguren zijn vaak glamourfiguren van TV of uit de bladen.
Kijk maar eens naar schoolagenda’s

Ze hebben veel vrienden en vriendinnen: op hyves. facebook, twitter.
Ze volgen bepaalde identificatiefiguren via die nieuwe sociale media.
Niks mis mee, maar er is niemand bij uit de protestantse gemeente van
Hoogkarspel of Westwoud.

Jongeren leven in een andere wereld, dan waarin wij opgroeiden.
Daar kunnen we over mopperen. We zeggen dat we geen tijd hebben om ons in al
die moderne flauwe kul te verdiepen, maar dan schuiven we onze verantwoordelijk-heid af.  Als we dat doen, verzaken we de opdracht van onze Heer.
Niet meer en niet minder.

 

Het is onze schone taak om de jongeren van deze tijd, door ze te nemen zoals ze zijn, de kans te geven te worden wie ze zouden kunnen zijn, in een wereld
die wij voor hen achterlaten en waarin zij leven moeten/mogen.  

 

Wij volwassenen weten niet wat jongeren bezig houdt, en de jongeren weten niet wat de kerk voor hen zou kunnen betekenen. Dat lijkt uitzichtloos…  We zitten in een vicieuze cirkel  en de grote vraag is…

 

Waar doorbreken we die cirkel?

Ik hoorde een jeugdraadslid pasgeleden zeggen: wij mogen best veel in onze kerk.
In een jeugddienst mogen we wel twee opwekkingsliederen zingen, en we mogen
zelf collecteren en lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling.

Daar probeert men kennelijk de kerkdienst een beetje aan te passen aan de
jongeren. De discussie gaat daar over de vraag of een derde opwekkingslied de
jongeren nog meer aan de kerk zou binden. Het gaat daar om de kerk…
niet om de jongeren.
Als u het eens bent met de uitgangspunten, die ik nioemde:

* Godsdienst is Gods dienst aan de wereld, de wij mogen vormgeven
* We nemen mensen zoals ze zijn, opdat ze worden wie ze zouden kunnen zijn….


Dan zouden we verder kunnen nadenken over de vraag: Hoe kan onze gemeente een
plek worden waar we de jongeren die ruimte bieden?

Er zijn jeugdwerkprogramma’s die slagen…
Die programma’s zijn allemaal gebaseerd op persoonlijke aandacht.
Je kunt het niet overlaten aan een man of vrouw die je daarvoor aanstelt en
betaalt. Die kan nodig zijn, maar dat is nooit meer dan een deel van de aanpak.

Gemeenten in Hoogkarspel-Lutjebroek en/of in Westwoud-Binnenwijzend,
die zich verantwoordelijk weten voor de jongeren, zetten zich dan ook
daadwerkelijk in voor de jongeren van die dorpen. Ieder met zijn of haar eigen talent. Dat betekent dan misschien wel:

* dat iemand namens ons twee uur in de week op een middelbare school aanwezig

   is als jongerenpastor. Hij heeft daar een hoek in een lokaal met een bank en een   
  gemakkelijke stoel. Hij is er gewoon voor iedereen die wel eens praten wil.  

  Het is maar een voorbeeld van JONGERENPASTORAAT.

*  dat er een stel mensen is – leeftijd niet belangrijk – die persoonlijke contacten 
    leggen met jongeren. Dat kun je niet zomaar. VORMING en TOERUSTING zal   
    nodig zijn voor de volwassenen, die zich willen inzetten voor de jeugd.

*  Misschien is er behoefte aan huiswerkbegeleiding voor degenen die zich thuis   

    moeilijk concentreren kunnen, een zinnige vorm van JONGERENDIACONAAT.

                                                        

 * misschien gaat een groepje een kinderopvang creëren voor kids zie zich op

    zondagmorgen vervelen omdat hun ouders uitslapen. KINDERDIACONAAT

* wellicht kan er een middag in de speeltuin georganiseerd worden voor alleen- 

   gaande ouders en hun kinderen. Ouders maken onderling contact, de kinderen 
   spelen o.l.v. een vrijwilliger. Er zijn voor de samenleving… door gezins-diaconaat

* een eenvoudige musicalgroep oprichten die een tijdlang aan een voorstelling werkt.
   In die groep is plaats voor iedereen, iedereen kan meedoen. 

* het creëren van een uitgaansgelegenheid voor tieners van 10-16 jaar, misschien  

   wel  i.s.m. de stichting WESTfrisLand. Dat zou een mooie bijdrage zijn aan de   
   kwaliteit van leven in een dorp waar jongeren (te) veel drinken.

* activiteiten rond thema’s die werkelijk spelen: verantwoord alcoholgebruik – 
   zelfdoding  – omgaan me drugs  – Traxx laten komen.

Toen ik op een classicale vergadering eens sprak over dit onderwerp vroeg een kerkrentmeester: Moeten wij dan voor de jongeren van het hele dorp zorgen?

Stel die vraag in Bijbeltaal en hij klinkt als: Ben ik mijn broeders hoeder?

De  vraag stellen is hem beantwoorden. We lijken wel wat op de discipelen vlak voor de wonderbare spijziging.  Ze willen de mensen wegsturen… Maar Jezus zegt: Geeft Gij hen te eten!

Dat broeders hoeder blijkt in de manier waarop we die activiteiten organiseren:

*  geen onderscheid tussen hoog- en laagopgeleiden.

*  Intergeneratieve activiteiten opzetten – niet alles is een kwestie van leeftijd

*  tieners doen graag iets. Als doende…. kletsen ze over van alles!

*  Bij ons hoef je je geen zorgen te maken om je uiterlijk – het gaat om wie je bent

O, nog één ding! De inhoud. Als we onze kinderen Bijbelverhalen vertellen, of over geloof praten dan moeten we dat goed doen! Eerste criterium daarbij is:


1.  Vertel nooit iets wat je zelf niet gelooft… want dan val je als identificatiefiguur 
     meteen door de mand. Wie niet echt is… wordt afgeserveerd… en terecht.

 

2.  Als ze niet meer geloven dat Snterklaas over het dak kan rijden, geloven ze ook

     niet meer dat Jezus over het water kan lopen. We moeten een manier vinden om

     onze kinderen de symboolwaarde van bijbelverhalen te  laten zien.

3. Er zijn betrouwbare mensen nodig, die. iets van zichzelf durven laten zien. 
    Iets van hun persoonlijk geloof. Mensen die kinderen willen laten zien dat 
    Bijbelschrijvers meer vertellers zijn, dan journalisten. Daar begin je mee rond een 
    jaar of 8/9 – dat klopt wel want als ze 10 zijn begint het afhaken bij de KND, toch?


4. Mensen die laten zien dat de vragen van de jongeren niet moeilijk of lastig of

    vervelend zijn, maar juist heel legitiem. Vragen zo intrigerend dat jij er ook niet 
    meteen een antwoord op weet, maar dat wil niet zeggen dat je er niet over  
    praten kunt.

 

Dat zou ik ook graag met u doen over wat ik u zoal heb verteld.

Tot zover… dank voor uw aandacht.