Judas

Gemeente van onze Heer Jezus Christus

Lieve mensen van God

Twee weken geleden, op zondagmiddag om een uur of 4, speelde in deze zelfde kerk een groep Hoornse jongeren, versterkt met enkele dames uit Hoogkarspel,
een musical over Judas Iskarioth.

Judas is een van de twaalf discipelen, een van Jezus’ trouwe vrienden.
Judas heeft drie jaar lang met de Heer door Galilea en Judea getrokken.
Drie jaar lang iemand letterlijk op de voet volgen, dat doe je niet zomaar.
Dat doe je alleen als je er heel diep van overtuigd bent,
dat de man die je volgt, een heel bijzonder persoon is.
Judas was er – net als die andere elf – van overtuigd,
dat rabbi Jezus van Nazareth de Messias van Israël zou blijken te zijn.

Niettemin wordt al van het
begin af aan – telkens als zijn naam klinkt – vermeld dat hij Jezus ook
verraden zal. Hij wordt vanaf het begin beschreven als een verachtelijk mens,
want – laten ze wel zijn –  verraders,
daar houden we niet van.

Wie – in de oorlog – een medemens heeft verraden, wordt na de bevrijding
beoordeeld als een onmens. Het verraden van een geheim, vinden wij op zijn
zachtst gezegd ongepast… Klokkenluiders worden als verraders beschouwt…
Zo wordt ook Judas in de bijbel van het begin af aan gebrandmerkt als verrader.

U zult zeggen: zo staat het in de bijbel!
Dat klopt, althans, zo staat het in onze vertalingen.
Want er is met die vertalingen iets merkwaardigs aan de hand.
In het Grieks wordt het woord paradosei gebruikt.  
Dat woord komt in het Nieuwe Testament een aantal keren voor.
Het wordt altijd vertaald met overleveren, behalve als het over Judas gaat.
Als het over Judas gaat, wordt datzelfde woord paradosei ineens vertaald met
verraden. Dat klinkt veel negatiever. Het is ook niet eerlijk!

Het is niet oneerlijk van de Bijbel, maar wel van de vertalers.
Je kunt van de laatste nieuwe Bijbelvertaling vinden wat je wilt,
maar gelukkig hebben de makers daarvan die fout eindelijk hersteld.
Judas heeft Jezus niet verraden maar overgeleverd.
Nu zegt u misschien: Dat komt op het zelfde neer!

Maar dat is een vergissing. Ik kom daarop terug.

Als het om Judas gaat, hebben de evangelisten overigens ook boter op hun hoofd.
Ik heb de volgorde van de lezingen voor  vanmorgen bewust gekozen.

Ik ben begonnen met een paar verzen uit Marcus.
Dat is het oudste van de vier evangeliën. Het is geschreven in de jaren 60 van
de eerste eeuw, dus zo’n 30 jaar na de dood van Jezus.
Het evangelie van Mattheüs is iets jonger. Dat moet even na het jaar 70 zijn
geschreven en Lukas nog iets later. Johannes wordt rond het jaar 90 gedateerd. En
wat zien we nu?

Naarmate de boeken later zijn geschreven, worden ze negatiever over Judas.
Bij Marcus lazen we bijvoorbeeld dat de priesters Judas geld geven.

Bij Mattheüs vraagt hij erom, Lukas weet te melden dat de duivel aan het werk
is… en Johannes noemt Judas – in een ander stuk dan we lazen – zelfs een dief.

Vreemd is dat toch, dat deze man die door Jezus zelf altijd is geaccepteerd en
gewaardeerd als een van de twaalven, enkele tientallen jaren later wordt
afgeschilderd als een verschrikkelijk mens. Hoe komt dat?

Daar zijn drie redenen voor:

1. De houding van Judas tijdens de laatste dagen van Jezus’ leven.

Hij doet anders dan de anderen en wie anders doet dan de meerderheid loopt het risico uitgestoten te worden. Let wel. Ik zeg niet dat hij verkeerd doet…

Hij doet anders!
Judas neemt initiatieven, terwijl de anderen niets doen. De meesten lopen weg…
Johannes houdt zich schuil en Petrus verloochent zijn Heer en op een moment dat
Judas er niet bij is, valt de hele groep tot drie keer toe in slaap.


2. Judas doodt zichzelf.

Zelf een eind aan je leven maken is niet toegestaan in die tijd.
Ook op grond daarvan wordt Judas door de christenen in de jaren 60-90
veroordeeld, terwijl Jezus ons toch heel uitdrukkelijk heeft opgeroepen niet te
oordelen! Het oordeel over het leven van een mens, is niet aan zijn medemensen.
Dat oordeel is voorbehouden aan God.


3. Judas is een Judeeër
.
Hij is zelfs de enige Judeeër in het gezelschap.
Jezus brengt het grootste deel van zijn leven door in Galilea.
Waar onze provincie in kerkelijk Nederland bekend staat als donker Noord
Holland, spraken de Judeeërs graag over Galilea als een gebied waar de scharen
wonen die de wet niet kennen. Mensen uit Juda, dus uit de directe omgeving van
Jeruzalem, beschouwden zichzelf graag als de
enige echte joden
.

Judas is dus in zijn eigen omgeving.
Judas is trots op de prachtige tempel in Jeruzalem.
Hij groeit op tussen de priesters en levieten,
die wonen in de stadjes en dorpen van Judea.

Hij heeft diep respect voor de hogepriester en het sanhedrin,
de joodse hoge raad.

Je zou kunnen zeggen: Judas is een keurige Haagse ambtenaar.
De anderen lijken eerder op vrijgevochten Amsterdammers of –
afgaande op hun beroep – eigenzinnige Volendammers.

In de periode dat de evangeliën werden geschreven raakten de eerste christengemeenten steeds meer los van het officiële Jodendom.

De eerste christenen zetten zich meer en meer af tegen de joodse godsdienst.

De Galilese inslag van de anderen heeft kerk en synagoge zeker niet bij elkaar helpen houden. Judas leefde in die tijd al lang niet meer, maar de verwijdering tussen het Jodendom en de christengemeenten heeft de beschrijvingen van Judas beïnvloed. Die beschrijvingen werden steeds negatiever.

De manier waarop Johannes schrijft over de joden in het algemeen en over Judas
in het bijzonder heeft zelfs bijgedragen aan het antisemitisme dat zich in de
loop van 20 eeuwen in Christelijk Europa heeft ontwikkeld.

Dat ligt overigens niet aan Johannes, noch aan de andere evangelisten.
Zij konden ook niet weten dat hun teksten in de westerse wereld,
als journalistieke verslagen gelezen zouden worden,
waarin op historisch wetenschappelijke wijze de feiten worden weergegeven.
De evangelisten kenden het vak geschiedenis niet…
Dat is pas in de 18-de eeuw ontstaan.

Van min of meer objectieve journalistiek hadden de evangelisten nog nooit
gehoord.
Hun oosters-joodse vertellingen zijn gelezen als geschiedenisboek,
hun verkondigende geschiedschrijving is gelezen als een kwaliteitskrant.

Aan de nagedachtenis van Judas is – door de onwetendheid van West-Europese
lezers, veel onrecht aangedaan.

Maar wat is dan wel een eerlijke manier om over Judas te praten en te denken.

Laten we eerst tegen elkaar zeggen, dat het niet aan ons is om te oordelen.
Ik ga ook niet zeggen dat Judas een heilige is, maar wie is dat wel?
Judas is een mens, zoals u en ik.

Is het u niet ook wel eens overkomen dat dingen heel anders uitpakten,
dan u ze had bedoeld.

Ik sprak pas een moeder, die met de beste bedoelingen haar volwassen zoon goede
raad wilde geven. Die man werd daardoor zo ontzettend pijnlijk geraakt, dat hij
op dat moment besloot nooit meer een voet over haar drempel te zetten Ze komen
elkaar nog wel eens tegen… maar dan kijken ze allebei de andere kant op. Had ik
mijn mond maar gehouden, denkt die moeder vaak…

De goede raad pakte heel anders uit, dan ze gedacht en gewild had.
Zo is het ook Judas vergaan… In die musical op 12 mei zullen de Sowieso-ers
zingen:

Na die kus is alles anders gegaan dan
ik het me had voorgesteld 

Ze hebben hem naar de stad gebracht
In die ene, die nare, die vreselijke nacht
De priesters, het sanhedrin met Kajafas voorop
Ze scholden hem uit – met een doek over zijn kop
Ze sloegen en bespotten hem, onz’ beste vriend –
Jezus, Heer, drie jaar heb ik je gediend.

Na die kus is alles, alles anders gegaan dan ik het me had
voorgesteld 

Ze hebben hem naar de stad gebracht
In die ene, die nare, die vreselijke nacht
Ja, Petrus, jij loochenaar, ik hoor de derde haan
Ik ken die man niet – hoe kom je daar toch aan
De and’ren? ook niet te zien, zijn d’r op tijd vandoor
Jezus, Heer, drie jaar ging  je me voor

Na die kus is alles, alles anders gegaan dan ik het me had
voorgesteld 

Ze hebben hem naar de stad gebracht
In die ene, die nare, die vreselijke nacht
Pilatus, de lafaard, laat zijn oren hangen naar
gepeupel op ‘t pleintje; het zijn er maar een paar
Hij waste zijn handen, krijgt ‘ie nooit meer clean
Jezus  Heer, dit had je niet verdiend.

Na die kus is alles, alles anders gegaan dan ik het me had
voorgesteld.

Maar hoe had Judas het zich dan voorgesteld?
Ik vertelde al dat Judas een vrome jood was.
Hij vertrouwde zijn dominee…
Nou ja, de overste van de synagoge.
Toen hij nog in Karioth woonde, stelde hij zijn vragen aan de overste daar;
toen hij met Jezus optrok was Jezus zijn vraagbaak.

En nu hij in Jeruzalem is,  gaat hij naar
Kajafas, de hogepriester.
Dat is niet vreemd. Dat is niet gemeen.
Dat is voor een Judeeër heel normaal.
Judas heeft een vraag.
Een vraag die zijn hele leven beheerst:
Is Jezus de Messias van Israel, of niet?


Is Jezus de gezalfde van de Heer,
waar het volk al zo lang op wacht?
Voor zichzelf weet hij dat wel, maar hij wil zo graag dat Jezus door de
geestelijke leiders van het volk erkent wordt als Messias.
Als Kajafas – de hogepriester – en de hoge raad,
nu eens zouden uitspreken dat Jezus de gezondene van de Heer is,
dan…  Dan zou Judas echt blij en gelukkig
zijn.



Waar bij ons de synode bepaalde uitspraken kan doen
en in de catholica de Paus beslissende woorden kan spreken,
zo kan in het Jodendom van die tijd Het Sanhederin – de hoge raad
beslissen over belangrijke godsdienstige vragen.

Daarom levert Judas Jezus over aan de Hoge Raad.

Dat woord overleveren klinkt ons ook negatief in de oren,
maar het gaat hier om het uitlokken van een rechtszaak om de waarheid boven
tafel te krijgen. Om de hoogste religieuze rechter een bindende uitspraak te laten
doen, niet om Jezus ter dood te laten veroordelen

Judas is een van Jezus’ beste vrienden.
Daarom begroet hij zijn meester met een kus…
Om zijn vriendschap te tonen, niet om hem de dood in te jagen!
Judas wil zekerheid, voor zichzelf, voor Jezus, voor de andere discipelen….

Zijn ze voor niks drie jaar lang met Jezus opgetrokken, of sticht hij dezer
dagen zijn koninkrijk op aarde? Judas neemt initiatieven om een eind te maken
aan die verschrikkelijke onzekerheid.

Jezus spreekt maar steeds over lijden en sterven. Dat kan toch niet waar zijn. Dan is alles voor niets geweest, want het idee dat Jezus zijn Messiasschap zal vorm geven in
het verlengde van Jesaja’s profetie over de lijdende knecht van de Heer… Het
idee dat juist door zijn lijden en sterven Jezus de Messias van Israël  blijkt te zijn… die gedachte is zo vreemd, zo wonderlijk, zo van een totaal andere orde, dat hij niet in de gedachten van
Judas opkomt.

Bij de andere discipelen overigens ook niet… Alles gaat zo anders dan Judas het
zich had voorgesteld…


Na die kus is alles, alles anders gegaan dan ik het me had voorgesteld
Ze hebben hem naar de stad gebracht
In die ene, die nare, die vreselijke nacht
Barabbas, de schurk, wordt geruild voor mijn J.C.
van doornen is’t kroontje; een kruisbalk draagt hij mee
Dat bloedgeld heb ik spoorslags terug gebracht
Jezus, Heer , Ik heb je aan ’t kruis gebracht.

Zoals ik al zei… Na die kus is alles, alles anders gegaan dan ik het me had
voorgesteld 
Ze hebben hem naar de stad gebracht
In die ene, die nare, die vreselijke nacht
is Judas, verraden, door Romein en priesterkliek
Zo kan hij niet verder – zijn gevoel da maakt hem ziek
Zijn meester aan  het kruis – dat kan Judas niet aan

Jezus, Heer, dat heb ik je aangedaan

Zijn meester aan het kruis… dat kan Judas niet aan

Met die gedachte kan jij niet verder… Hij ziet geen uitweg meer…

Hij houdt zoveel van zijn meester dat leven –zonder – hem 

voor Judas geen leven is…   Als het zo
moet… dan liever niet

Omdat hij zonder Jezus meende niet verder te kunnen,
heeft de geschiedenis hem veroordeeld…
maar het oordeel is goddank niet aan ons
en uiteindelijk ook niet aan de geschiedenis…

Op de voorkant van het boekje staat een plaatje.
Het is een beeldhouwwerk op een van de pilaren in een franse kathedraal,
die van Vézelay om precies te zijn.

Onder het woord JUDAS zien we Judas met een touw om zijn hals…
Maar op de voorgrond zien we hoe Jezus ook deze vriend
wegdraagt naar het vaderhuis…

Natuurlijk… ook dat is slechts een mening…
een mening van een beeldhouwer uit de Middeleeuwen,
maar wel een die de moeite van het overdenken waard is…

Want wat je ook doet…
hoe groot of hoe klein je zondebesef ook is
hoever je ook bent afgedwaald, hoe diep je ook gezonken bent…
de beeldhouwer vertelt dat Jezus Judas meeneemt
naar een land van louter licht…
net als Petrus de loochenaar,

Johannes die zich afzijdig hield,
Andreas die lag te slapen in Getsémané
Jacobus die zijn hachje redde
Thomas en al die anderen die op de vlucht sloegen

Je hoeft hier niet in het openbaar te zeggen in wie je je het meest herkent…
dat is een zaak tussen jou en God…
Het overweldigende van de Eeuwige is dat zijn liefde onvoorwaardelijk is…
Je hoeft niet aan de voorwaarden te voldoen,
om deel te hebben aan zijn verbond met mensen…

Jezus zoekt niet naar heiligen…
God houdt van mensen…
met alles erop en eraan
lafheid en moed
geloof en twijfel
goed en kwaad

God houdt van mensen zoals jij en ik…
Lieve mensen van God.
Dat heeft de beeldhouwer van Vézelay in elk geval goed gezien –

Dat het zo mag zijn…

AMEN