Ezechiel geroepen

Gemeente van onze Heer Jezus Christus  –  Lieve mensen van God


De 40 dagentijd werpt zijn schaduwenvooruit.
In die periode lezen we gedeelten uit de profetieën van Ezechiël
en vandaag maken we vast kennis met deze profeet

die leefde tijdens de Babylonische ballingschap.

Ezechiël was van huis uit priester.
Hij werkte in de tempel van Jeruzalem
op het moment dat koning Nebukadnessar Juda innam,

de tempel leegroofde en de intelligentsia uit Jeruzalem meevoerde naar Babel.
Babel is de hoofdstad van zijn immense rijk, dat Babylonië. 
Die koning Nebukadnessar heeft iets van een roofdier
dat zijn prooi meesleept naar zijn hol.

Nou ja, hol… Nebukadnessar woont in een fantastisch paleis.
Zit op een gouden troon en in zijn voetenbank liggen
– zoals gebruikelijk in het oude oosten – de wetten van het land.
Altijd bij de hand om geraadpleegd te worden als het nodig was
en om ze met voeten te treden als dat beter uitkwam.
De Judeeërs zijn in de handen gevallen van zo’n echte oosterse potentaat
die volkomen rücksichtslos de toen bekende wereld onder de duim houdt.

Ze werden gehuisvest langs het Kebarkanaal en ten noorden van de hoofdstad.

Voor vrome joodse mensen als Ezechiël is die ballingschap niet alleen vervelend omdat ze hun huis, hun werk en vooral hun vrijheid kwijt zijn;
maar vooral  door de klemmende vraag, hoe het toch kan zijn dat God dit allemaal toestaat. Hoe is het mogelijk dat Gods uitverkoren volk wordt weggevoerd uit de stad die Heer zelf tot woonplaats heeft gekozen?

Voor vrome joodse mensen is het onverteerbaar dat ze terug zijn bij af.
Het grote verhaal van God en zijn volk…  begon met Abraham
in het gebied tussen de Eufraat en de Tigris.
De opgravingen van Babel liggen ten Noord-Oosten van Bagdad;
die van Ur een stukje naar het zuiden. Dus letterlijk terug bij af.
De hele geschiedenis van God met zijn volk is terug op het nulpunt.

Die vrome joodse mensen beschouwden de
tempel van Jeruzalem als de woning van de Here God.
Daar werd de koning van de wereld vereerd.  
Daar stond – in het heilige der heilige – de ark van het verbond,
de kist met daarin de stenen tafelen, de Thora…
de wet, opgeborgen in de voetenbank van de Heer.
Daar – in de tempel van Jeruzalem – heeft God –
naar joodse opvatting in die tijd – vaste voet op aarde.

Maar…
Jerusjalaïm, de stad van vrede… ligt in puin.
De vrede is ver te zoeken.
De tempel is verwoest.
De hele joodse identiteit ligt aan gruzelementen.
Wat heb je er aan om jood te zijn?
Waarom zou je als gelovige leven?
Wat betekent ‘uitverkoren zijn’
zonder de liturgie  van de tempel,
zonder de reukoffers van wierrook,
zonder de geur van het brandofferaltaar
zonder de gezangen van de levieten
en de gebeden van de priesters?

 

Die vrome joodse mensen zijn niet alleen
hun materiële bezittingen kwijt,
maar hebben ook absoluut geen idee hoe ze daar in Babel vorm moeten geven
aan  hun joodse identiteit. Met dat trauma moeten ze allemaal leren omgaan,
maar een priester als Ezechiël in het bijzonder.

Die kan hier in den vreemde helemaal niks…
Alles wat voor hem belangrijk was,
is hem uit handen geslagen.
Wat moet je als priester beginnen in een land als Babylonië?
Ver buiten het land van belofte…  
diep in de ellende.
Deze  priester kon de dichter van psalm 22 in alle eerlijkheid nazeggen:

Mijn God waarom hebt ge mij verlaten?

Ezechiël zit ver van de tempel, ver van zijn priesterschap
en voor zijn gevoel ver bij God vandaan.

En in die situatie … lezen we:
Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar,
toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde,
opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God.

Die godverlaten priester
in die godsonmogelijke situatie
in dat godvergeten Babel… krijgt een visioen.

In de diepste ellende die een mens zich maar denken kan,
opent zich de hemel en gunt de Heer Ezechiël een kijkje naar binnen.
De profeet beschrijft wat hij ziet…

Een stormwind uit het noorden…
Denk daarbij maar aan de legers van
Nebukadnessar die vanuit het Noorden op Jeruzalem aanvielen…

Te midden van al dat geweld ziet hij een wolkenmassa…
Wolken zijn in de bijbel altijd tekenen van Gods onzichtbare aanwezigheid.

Bliksemschichten en de glans van wit goud maken duidelijk
dat het om een ontzagwekkend schouwspel gaat…
Te midden daarvan een ontzagwekkend wezen…
bestaande uit vier gestalten met elk vier vleugels
en in totaal vier gezichten:
een mens,
een leeuw,
een stier
en een adelaar.

Het getal vier duidt erop dat we te maken hebben met een instantie die de hele wereld omvat…in alle vier de windrichtingen…

Denkend in de lijn van het heidendom zou je denken
dat die ontzagwekkende gestalte, deze ontredderde mens
nog dieper in de put zal trappen…
In de lijn van het heidendom zou je denken de Godheid
zich zo manifesteert opdat deze van zijn ankers geslagen mens,
zich nog kleiner zou gaan voelen. 

Maar niets blijkt minder waar.
Deze Godsgestalte wordt zichtbaar opdat Ezechiël
een nieuwe taak op zich kan nemen…
Dit visioen gaat hem toerusten voor die nieuwe taak.

God openbaart zich aan Ezechiël met een menselijk gelaat,
want humaniteit, ware menselijkheid, zal nodig zijn
voor het werk dat hem te doen staat 

God openbaart zich aan Ezechiël met de
krachtige kop van een stier,
want hij zal sterk moeten zijn als hij gaat optreden als profeet.

God openbaart zich aan Ezechiël in de gestalte van een leeuw,
want leeuwenmoed zal nodig zijn om tegen de publieke opinie in te gaan.

God openbaart zich aan Ezechiël als een adelaar, want hij mag weten dat –
als het nodig is – de Heer hem op adelaarsvleugels zal dragen.

De vele ogen in het visioen duiden op het inzicht dat God hem zal schenken
en dan resten ons nog de wielen… Wat probeert de schrijver ons toch te
vertellen met die wielen?

Het feit dat die hele gestalte op wielen staat, het feit dat die wielen die
alle kanten op kunnen laat zien dat God mobiel is… en flexibel. Dat hij niet –
zoals de heidense goden, tijd- en plaatsgebonden is.   
Dat de Eeuwige niet is vastgebakken aan de een of andere tempel,
zelfs niet aan die in Jeruzalem.
Ook hier in het verre Babylon is God “de Aanwezige“ ook nu Ezechiël in de ellende
zit, is de Heer nabij.

Als de wezens zich bewegen, bewegen de wielen mee…
Natuurlijk! Niet de wielen bepalen de richting,
maar de wezens. Anders gezegd: God gaat met je mee op al je wegen, 
ook als die wegen gaan door oorden van eenzaamheid,
verdriet, pijn, ziekte, radeloosheid of dat intens nare gevoel dat God
niet naar je omkijkt.

God gaat met je mee op al je wegen ook als die wegen je brengen op plekken
waar het vertrouwen op oude vertrouwde waarheden dreigt weg te vallen.

De priester Ezechiël is verrast door deze verschijning.
Hij leefde met de gedachte dat God aan Jeruzalem gebonden was.
Ik vermoed dat Ezechiël zich realiseert dat er zich een heidense gedachte
in zijn hoofd heeft genesteld.

Heidense goden zijn tijd – en plaatsgebonden… de God van Israël wordt genoemd:
“de overaltijdtegenwoordige”
Zijn naam luidt: Ik zal er zijn …zonder beperking,
dus  overal en altijd
Maar die gedachte was kennelijk op de achtergrond geraakt.
In de ogen van een priester wordt zijn tempel steeds belangrijker…
De priester gaat denken dat je alleen daar contact met God kunt maken…
Dat is een heidens idee…

Bij zien van het visioen dringt dit tot Ezechiël door.
en bij dat inzicht valt hij op zijn knieën. 
Uit pure eerbied? Waarschijnlijk ook,
maar ook omdat je je schaamt…
Schaamt voor die heidense opvatting,
die erin was geslopen.
Hij werpt zich ter aarde
en durft God niet onder ogen te komen.  

Was dat de bedoeling?
Was het Gods bedoeling deze ontredderde priester een lesje te leren?
Integendeel…  Wat lezen we…

De geest kwam in mij zodra de Stem sprak
en mij op mijn voeten zette.
Die geest van humaniteit, kracht, moed en je gedragen weten..
De geest van de wezens met die vier koppen,
zet Ezechiël recht op zijn voeten.

Hij mag spreken… profeteren;
d.w.z. de boodschap van God overbrengen
Hij, de priester zal zijn taak niet vervullen
door liturgische offers te brengen,
maar door als profeet op te treden.
Hij mag Gods woorden overbrengen aan de andere ballingen,
Hij  mag de boodschap vertolken voor
mensen,
die zich door God in de steek gelaten voelen,
mensen die net zo ontredderd zijn als hij.


Je wordt profeet, Ezechiël!
Voorganger van de gemeenschap zul je zijn, Ezechiël  
Kritisch zul je zijn t.o.v. de heidense invloeden in de geloofsgemeenschap
Jij zult net zo eigenwijs moeten zijn als de mensen
die je de waarheid gaat zeggen!
Dat wordt een hard gelag, maar: Vrees niet mensenkind,
kracht en moed moet je tonen,

In het kader van je nieuwe taak, begeeft je in de slangenkuil, maar:
Vrees niet mensenkind… Vrees niet voor je eigen volk,
want ze zijn keihard en soms razend van machteloze woede…

Laat je niet van de wijs brengen:  Zeg ze gewoon de waarheid,
die ik je ingeef – zegt God.

Mensen hebben de neiging in de slachtofferrol te kruipen
en websites te openen waarop je beklag kunt doen over anderen…
Ga er tegenin,  Ezechiel!  Zet ze op hun voeten!
Leer ze hun leven in eigen hand te nemen.
Tja, Gods woorden gaan vaak in tegen de menselijk natuur.

Maar mensenkind, dek het niet toe, maar zeg ze de waarheid die ik je ingeef –spreekt de Heer.

Terwijl ik dit zeg herinner ik me vraag van iemand in het leerhuis:
Ja maar, ja maar, ja maar hoe weet zo’n Ezechiël
nou zeker dat hij Gods woorden spreekt.
en waarom hij wel en Jan Mazereeuw indertijd niet?

Waarom Ezechiël in Babel wel en Heinrich van Geene in Heinenoord niet?
en Jan Zijlstra en Jomanda en de Pauwinanen, 
en al die anderen die in onze tijd niet of nauwelijks serieus genomen
worden?

Ik weet het niet… Misschien omdat het verhaal van Ezechiël al twee en een half
millennium meegaat?


En zo’n visioen? 
Is dat niet iets wat vanuit de diepte van zijn eigen binnenste opwelt?
Komt zo’n visioen niet voort uit de menselijke geest?
Ja! Zeker, maar Ezechiël ervaart het komend van God.

De hand des Heren was op mij… zegt hij.
De eenzame priester, die in alle opzichten ver van huis is…
ontdekt dat God zich met mensen inlaat,
in welke omstandigheid dan ook…
Dat geloof is een Godsgeschenk,
waarmee mensen zelfs in Auswitsch
het leven – dat geen leven was –
aankonden.

Tot slot nog een beeld uit dat visioen
van Ezechiël: De koepel.

Vorige week zaterdag waren we met een groep mensen uit onze gemeente
en uit Venhuizen op bezoek in de moskee in Zaandam.
De meneer die ons rondleidde vertelde over de halfronde uitbouw
aan de zuidoostelijke muur en over de eveneens ronde koepel…
Ze zijn oorspronkelijk zo gebouwd i.v.m. de akoestiek.
Door die vorm was het geluid van de biddende imam beter hoorbaar;
nu gebruiken ze uiteraard een geluidsinstallatie.

Maar… ook al is hij voor de akoestiekniet meer nodig,
die koepel vind je overal ter wereld op een moskee…
het is, samen met de minaretten een soort herkenningsteken
geworden.


Minaretten zie je al van verre staan.
Het is als met een kerktoren, zei onze rondleider…
Als je ze ziet dan weet je: “Daar kan ik God aanbidden.”

En de koepel dan?
Als wij in onze gebedsruimte zijn, is het alsof God
zijn beschermende hand op legt…

Dat het zo mag zijn

AMEN