En hij blies op hen…

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God,

De Bijbelkenners onder u hebben het zien aankomen.
Een 40-dagenproject met lezingen uit Ezechiël moet op
Pasen wel haast eindigen met visioen van de dorre doodsbeenderen.

Niet iedereen is even dol op dat visioen.
Een jongere reageerde eens met: Jakkes, wat een vreselijk onsmakelijk verhaal!
Anderen krijgen de tv-beelden voor ogen van de massagraven, in Srebrenica,
Libië of Cambodja. Voor menigeen is Allerzielen of Eeuwigheidzondag
gemakkelijker te vieren dan de dag van de Opstanding.

Het zien van dit dodendal roept bij ons vragen op als…
Hoe kunnen we kunnen deze menselijke resten netjes begraven?
Moet er dan een monument worden geplaatst?
Hoe moet dat er dan uitzien? Wie moet dat dan maken?
En vooral: Wat mag het kosten?

God stelt Ezechiël een heel andere vraag.
De Heer suggereert een mogelijkheid, die wij voor onmogelijk houden.
God vraagt: “Mensenkind, zullen deze beenderen weer tot leven komen?”

De profeet is geen supergelovige! 
Hij is net zo verbaasd als u en ik.
Hij houdt zich op de vlakte… geeft een veilig antwoord: 
“U weet het!”  
Zullen deze beenderen weer tot leven komen?
God mag het weten!

Wij hebben  last met zo’n tekst.
We zijn zo op historische feiten zijn ingesteld,
dat we met de oosterse verteltrant
maar slecht uit de voeten kunnen.

Wij vinden van onszelf dat we wetenschappelijk zijn ingesteld.
Eerst zien en dan geloven!
Alleen keiharde feiten en onweerlegbare bewijzen overtuigen ons.
Niet dat we daar naar handelen… Nee, handelen doen we vanuit ons gevoel.

Wetenschappelijk staat onomstotelijk vast,
dat streng straffen niet helpt tegen de misdaad
En wat doen we? Precies, steeds strenger straffen…

Wetenschappelijk staat vast dat roken slecht is voor onze gezondheid,
maar alleen campagnes die op ons gevoel werken, brengen ons eraf.

Ik zal de beelden uit dit visioen niet plastisch herhalen.
Dat hoeft ook niet, want tegen het einde wordt duidelijk
dat we hier te maken hebben met beeldspraak.
Het staat er gewoon.

Vertellenderwijs komt het zelfbeeld van de ballingen in beeld.
Dat visioen laat zien hoe de Israëlieten in Babel tegen zichzelf aankijken en
hoe God daarop reageert… In vers 11 lazen we

En hij (dat is God) zei tegen mij (Ezechiël): “Mensenkind, deze beenderen zijn
het volk Israël. De ballingen zeggen: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is
vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.”  

De mensen zijn letterlijk en figuurlijk ver van huis. 
Als Gods volk gedwongen in den vreemde verblijft, als ze “uit-landig” zijn,
dan wordt verteld dat ze in “el-lende” zitten.
“Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen,
onze levensdraad is afgesneden.
Het is een dooie boel, we zitten op dood spoor…
We lijken nog het meest op een dal vol dorre doodsbeenderen.
Onze identiteit is ons ontnomen.
Alle menselijkheid uit ons bestaan verdwenen.

Kroon van Gods schepping? Wij..? Toe nou.  
Mens zijn naar Gods beeld? Wij..? Vergeet het maar.
Zo dor en doods zo levenloos verlamd,
uiteengeslagen
zonder hoop en zonder troost, slijten wij de dagen.

dichtte  Sytse de Vries n.a.v. deze tekst.

Deze tekst gaat dus niet over een massagraf…
Dit verhaal vertelt niet over mensen die overleden zijn.
Het is een visioen over levende mensen, die zo dood zijn als een pier…
Levende mensen die bij de pakken neerzitten:
zonder hoop en zonder troost, slijten zij hun dagen.

Maar…maar dan… danzegt God, de HEER:

Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg
tegen de wind:
 Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas
in deze doden, zodat ze weer gaan leven
….

En even later:
Ik profeteerde zoals Hij mij gezegd had,
en de lichamen werden met adem gevuld.
Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan,
een onafzienbare menigte.


In de Naardense Bijbel, waaruit we vannacht het scheppingsverhaal hebben
gelezen, staat het zo:


Profeteer Mensenzoon en zeg tot de Geest…zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene: “Kom
vanuit de vier geestesstreken, O geest en blaas over deze vermoorden, zodat ze herleven.


En even later:
Als ik heb geprofeteerd zoals hij mij geboden heeft,
komt de Geest in hen en zij herleven.
Dan staan ze op hun voeten,
een zeer, zeer grote macht.

U zult niet alle verschillen zo snel oppikken, maar dat de wind uit de Nieuwe Vertaling in Naarden is vertaald met GEEST, dat zal u niet zijn ontgaan.
En waar de NBV uiteindelijk het woord wind vervangt door adem,
is Naarden consequent en blijft bij het woord GEEST.

In het Hebreeuws staat er het woord: Ruach.

De Geest, die leven geeft;
de spiritus sanctus –
De creatieve kracht die mensen de ruimte geeft om te leven.
Die Geest, die Levensadem, die frisse wind,
zet de mensen die bij de pakken neerzitten op hun voeten…
Die Geest doet hen opstaan uit de dood.
De Geest maakt dit visioen tot een paasverhaal. 

Daarom heb ik de lezing uit het evangelie iets ruimer genomen dan op het
rooster stond. Ik heb hem laten eindigen bij vers 22 i.p.v. bij vers 18.
Maar laten we beginnen bij het begin,
en ook daar hebben we een concordante vertaling nodig

Het was op de eerste dag der week.
Vroeg in de morgen was het…
de duisternis lag
nog vòòr de dag!

De duisternis blokkeert de nieuwe dag…
De duisternis ligt als een massieve steen voor de zonsopgang!
Er is een vrouw in het donker naar de graftuin gegaan…
De bloemen willen zich te openen naar de zon
maar de zon is nog niet opgegaan.
Maria Magdalena laat haar tranen de vrije loop…

Zo dor en doods zo levenloos verlamd, uiteengeslagen
zonder hoop en zonder troost, slijten zij deze dagen…

Maria’s hoop ligt begraven achter de massieve steen van
duisternis, die de dag blokkeert… en de bloemknoppen gesloten houdt.

Wat een ellende… wat een onzegbare eenzaamheid… ze is dodelijk alleen.
De liefde van haar leven… verloren … Hoe nu verder?
Is er nog wel perspectief?

Ze wil de dode bewenen… Maar het graf is leeg. Het is om te huilen:
Haar leven zo leeg, zo onbegrijpelijk, zo helemaal zonder uitzicht.
Zelfs met Allerzielen heeft ze hier niets meer te zoeken.
De ontreddering is totaal… Ze voelt zich zo onnoemelijk alleen.

Maria
ziet het allemaal niet zo scherp vanmorgen.
Het is nog donker en die tranen doen er ook geen goed aan.
Twee witte gestalten…
Ze doen de eerste lezers van het verhaal denken
aan de beide engelen op het deksel van de ark.
U weet wel die kist met de stenen tafelen erin,
die staat inde tempel; het heilige der heilige…
de centrale ruimte in de tempel,
waar vrijdag het voorhang scheurde.

Gods troon staat in de hemel…
De ark is zijn voetenbank op aarde…
Een koningstroon had een voetenbank.. met daarin de wetten van het land.
Op deze voetenbank met de Thora daarin : twee geknielde gouden engelen…
de toppen van hun vleugels raken elkaar: Daartussen … de sjechina,
de onzichtbare aanwezigheid van de Eeuwige…

Of Maria daar op dat moment aan dacht?
Dat zal wel niet… daar staat haar hoofdniet naar.
Maar Johannes wel… En de joden-christenen waarvoor hij schreef ook.
Zij hoorden immers ook, net als wij vannacht… steeds een kind vragen:
Waarom is deze avond zo anders dan alle andere avonden?
Dan antwoordde de joodse vader:
we waren slaven in Egypte… en dan vertelt hij het hele verhaal 
De pesachvierders begeven  zich a.h.w in
dat verhaal…
schrijven hun namen in de verhalen…
en dan voelen ze zich ook als slaven…
Ze worden onderdeel van het verhaal…
en gaan op weg naar vrijheid.

Als het paasfeest weer komt, wordt de tafel gedekt,
en dan proef je de uittocht in ieder gerecht…
Wij hebben donderdagavond geprobeerd ons in twee verhalen te begeven…
Het verhaal bij die gerechten… en dat van Jezus.
Het kinderkoor zong:
Dan gaat Jezus zijn weg door het land van de dood
en wordt als lijdende knecht – de Messias van God.

Het is een mooie uitleg, maar Maria ziet het niet.
En als ze het ziet; dan weet ze niet wat ze ziet.
Ze herkent Hem niet… ze verwacht Hem niet
Alle verwachting, alle hoop is gestorven.
Alles wat waarde voor haar had is verloren 

De liefde van haar leven is dood
en zelfs zijn dode lichaam vindt ze niet meer.
Wat valt er dan nog te verwachten?
Wie kan daar tegen hopen?
Dan kun je, zoals Job,
op de mestvaalt van het leven,
gaan zitten wachten op het onvermijdelijke.

En dan… dan klink haar naam: Maria!
Ze wordt bij name genoemd… ze wordt gekend.
Zelf zie ze het niet… maar zij wordt gezien.
Hij kent haar. Ook in haar verdriet.
Ze wordt gekend in haar sores…
en dat brengt een mens tot leven…

Je kunt nog dor en doods,
zo levenloos verlamd
en uiteengeslagen  in het leven staan….
Je kunt nog zo zonder hoop en zonder troost zijn,
als je bij name wordt genoemd, als je gekend wordt,
als iemand zich in jouw verhaal begeeft, dan gebeurt het wonder…
Ik moest denken aan de ouders in de Amsterdamse zedenzaak…
Ze willen gekend worden in hun sores…

Die ouders snakken naar wat Maria Magdalena hier beleeft…
dat iemand zich in hun verhaal begeeft,
zoals de verrezen Heer zich bekend tot Maria Magdalena.

En dan laait alle vurige liefde waarmee ze liefhad, weer op

Dan keert al het geloof waarmee ze geloofde
al het vertrouwen waarmee vertrouwde terug.
Dan heeft ze alle verwachtingen niet voor niets gekoesterd.

Alles wat haar leven waardevol maakte leeft, het leeft op! Het staat op!
Dat is Pasen. Het besef dat we
ook al gaan we door de diepste diepten heen
ook al lijkt alle goeds door en door dood en begraven
ook al lijkt het leven ineen geschrompeld tot een dal vol dorre doodsbeenderen
ook al schijnt het leven begraven achter zo’n steen
al die ellende stelt niets voor…
die hele dooie boel wordt opnieuw tot leven gebracht door de Eeuwige.

Dat is Pasen:
Dat je naam wordt geroepen,
dat de unieke mens, die jij bent wordt geroepen tot leven…
LEVEN met vijf hoofdletters.

Van de joden kunnen we leren hoe je je in een verhaal kunt begeven…
Wij mogen ons begeven in het verhaal van Jezus volgelingen, Maria Magdalena
voorop. Op Pasen staan we met haar in het licht van de alles doorbrekende
morgen… in de tuin die zo groot is als de wereld. Lieve gemeente,
de eerste dag van ons nieuwe leven ligt voor ons…

Dat nieuwe leven vangt nog diezelfde avond aanmet een vredewens van Jezus zelf
voor zijn vrienden die bijeen zijn…
Sjaloom in het Hebreeuws.
Vrede… is wat mijn vader in de hemel voor jullie in petto heeft!  
en dan worden ze uitgezonden, de grote wijde wereld in…
zoals Jezus zelf door de vader is uitgezonden.
En dan eindigt onze lezing met dat rare zinnetje: Hij blies op hen.  


Hij schenkt Ruach… 
Hoe zullen we dat vertalen?

Hij schenkt hen de wind… Hmwa  Wind mee,
misschien.

Hij schenkt hen adem… Hmmm   levensadem,
die de doden doet herleven.

Hij schenkt hen de Geest…  Ja… dat is de
vertaling die we zoeken….

Het is de Geest, de Geest van Christus die ons tot leven wekt.
Het is helemaal in zijn Geest om mensen als Maria…perspectief te tonen.
Het is helemaal in zijn Geest om je in het verhaal van de ander te begeven.
Het is helemaal in zijn Geest om mensen te bekennen, hartstochtelijk lief te
hebben… opdat ze leven kunnen: Eeuwig leven!
Het is helemaal in zijn Geest om als gemeente op die manier…
de opgestane Heer handen en voeten te geven
in een wereld die mag worden: Jerusjalaim — 
De stad van de mens
stad van vrede.|


Dat het zo mag zijn…                              

AMEN .