Jezus in Nazareth

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God

Voor op de liturgie staat deze zondag aangeduid als de vierde van Epifanie.
de Epifanie, of epifaniëntijd is de periode tussen kerst en het begin van de 40-dagen.

Epifanie  betekent“verschijning”. In deze periode van het kerkelijk jaar stelt de gemeente zich de vraag: Hij is verschenen, maar wie is Hij eigenlijk?
Wie is de man, die we – nog maar zes weken geleden –
met een prachtig feest welkom heetten als kind, geboren in een stal?  

De verhalen  in deze periode zijn als de kleine stukjes van een veelkleurig mozaïek. Samen vormen ze het beeld van een man, die jood onder de joden… mens onder de mensen… en God met ons wilde zijn.

In de verhalen over zijn doop en de verzoeking in de woestijn, leren we hem
kennen als voluit staande in de traditie van Israël. Hij is jood met de joden.
Bij de bruiloft in Kana, blijkt  hij mens met de mensen.
Maar dan wel een mens die geen genoegen neemt met een verwaterde kwaliteit van leven, een bestaan waaruit de Thora is verdwenen.  

Hij laat zien dat waterdagen tot wijndagen kunnen worden, als je leeft vanuit de tot de rand gevulde vaten van de traditie… Waterig leven kan verkeren in een geïnspireerd bestaan, als je Gods Geest toelaat in je leven. De Geest die je hele doen en laten doorgloeit, zoals een goed glas wijn je hele lijf doorgloeien kan.

Vorige week hoorden we hoe Jezus in de synagoge van Nazareth de uitdaging aanneemt om God-met-ons te zijn.
Hij zal gevangenen loslating verkondigen en aan blinden het gezicht schenken.
Hij zal  gebroken mensen heen zenden in vrijheid, en verkondigen:  het aangename
jaar des Heren. In de synagoge van zijn vaderstad  werd duidelijk zichtbaar,
dat we met Kerst veel meer te vieren hadden, dan de geboorte van een kind.

Dat is op zich al een godswonder,  maar bij de geboorte van Jezus is er nog meer aan de hand…  We vierden het komen van God zelf in deze wereld.

Jezus wordt geboren als mens onder de mensen, wordt op 12 jarige leeftijd “zoon der wet” en dus jood onder de joden…  en hij maakt zichtbaar, tastbaar zelfs, wie God is.
Wie kijkt naar zijn manier van leven, ziet hoe God het menselijk bestaan bedoelt.

De mensen van Nazareth zijn in eerste aanleg enthousiast. Dat is logisch.

Wie zou er niet graag horen dat het aangename jaar des Heren aanbreekt?
Daar zijn we gebleven…  Tot zover hebben we Hem leren kennen, dit jaar.

In de eerste lezing hoorden we, dat de profeet Jeremia nogal wat bedenkingen heeft,
tegen de opdracht die hij moet gaan uitvoeren. Jeremia is in goed gezelschap.
Ook Mozes sputtert tegen – hij is geen redenaar, Gideon … denkt dat hij het niet kan,
Jesaja en Jeremia zien het niet zitten, om over Jona maar te zwijgen.

Ze hebben allemaal een weerwoord en die weerwoorden komen allemaal op hetzelfde neer:
Goede God, u bent uiteraard alwetend, uw oordeel over wat goed is voor mensen, staat buiten kijf, maar in dit heel speciale geval… nu het mijn persoon betreft,
vergist u zich echt. Waar moet ik de goede woorden vandaan halen?
Wie zal geloven dat ik namens u spreek?


Is dat onwil van die profeten?  Zijn het smoesjes? Dat lijkt zo, maar u moet eens letten op de reacties van God.
Tegen Mozes zegt God: IK ZAL BIJ JE ZIJN.
Tegen Gideon: Je kunt het! Ik sta je bij!
Tegen Jeremia: Ik leg mijn woorden in jouw mond!
Jesaja’s lippen worden gereinigd met een kooltje van het altaar:
Dank zij mij – zegt God – kun je goede woorden spreken!  

Profeten spreken en handelen niet uit zichzelf.

Zij verrichten Gods werk, zij geven Gods boodschap door
en dat gebeurt niet dank zij de profeet… maar veeleer zijns ondanks…  
De woorden die ze spreken tot het volk maar zeker ook tot zichzelf.
Dat is voor voorgangers in een kerkdienst een herkenbare ervaring.

Zonder mezelf ook maar een moment op één lijn te willen zetten
met de profeten van Israël, maakte ik toch in de afgelopen week iets mee
dat ook mij nog eens duidelijk maakte, dat in de verkondiging op zondag
de spreker ook zelf wordt toegesproken.

Het  gaat over iemand, die enkele maanden geledeneerst vrienden en bekenden (waaronder ik) bedreigde, om vervolgens  alles en iedereen in de steek te laten.
Kinderen incluis. Met de noorderzon vertrokken… Waarom? Omdat een nieuwe partner dat eiste.
Die persoon stuurde vorige week zaterdag een mail met de vraag: “Wil je me alsjeblieft bellen? Ik heb zo’n spijt.” Ik zat uiteraard niet op dat mailtje te wachten
en aarzelde zeer om de telefoon te pakken.
Ik stelde het uit tot na het weekend.
Tijdens dat weekend, vorige week zondagmorgen ging ik voor in Andijk
en sprak daar onder andere de volgende woorden:  

Je bent bevrijd om bevrijdend bezig te kunnen zijn met anderen.
We mogen we elkaar de hand reiken als er iemand valt…  
We mogen elkaar steunen als we krom lopen onder de last
die we moeten dragen. Zo wordt je een instrument in de handen
van die bevrijdende God.

Vooral die laatste zin bleef haken…  Toen ik ’s middags die preek op internet zette, en dus die zin weer tegenkwam, wist ik wat me te doen stond.
Het telefoontje heeft plaats gevonden… Er is een begin van bevrijding.
Terug naar de vierde zondag van Epifanie. Terug naar de verschijning van God-met-ons.
Zoals gezegd… de mensen van Nazareth zijn wel verbaasd,
maar ze horen graag wat Jezus te vertellen heeft over het
“genadejaar van de Heer” zoals de NBV het aanduidt.
U kent het waarschijnlijk als het “jubeljaar.” 

Nu is er geen goddelijke boodschap of er zitten ook scherpe kantjes aan.
Als je woorden krijgt aangereikt, die helemaal passen in jouw opvattingen
en bij jouw belangen, dan hoort elke Bijbellezer argwaan te krijgen.

God past nooit helemaal in onze schema’s! Het is ons om ons zijn schema’s eigen te maken. Natuurlijk schenkt Gods woord troost en bevestiging; maar niet alleen – er is ook altijd sprake van uitdaging!


De vervulling van de profetie is welkom in Nazareth. Het genadejaar van de Heer breekt aan: je mag je schuldenaars hun schuld vergeven, je mag je slaven de vrijheid schenken; dat is goed nieuws als je schulden hebt… dat is goed nieuws
voor de slaven…
maar voor de schuldeisers en de slavenhouders ligt dat wel even anders.
Het goede nieuws voor de een, blijkt een geweldige uitdaging voor de ander.

Dat begrijpt Jezus ook:  Nu zullen jullie wel zeggen: Geneesheer, genees uzelf.
Doe – ook hier in je vaderstad – de wonderen die je in Kafarnaüm hebt gedaan.
Wij mensen willen het onomstotelijk bewijs. Verhalen over wat er elders in het
verleden is gebeurd, daar nemen we geen genoegen mee. Wij willen dat Jezus hier
en nu, en wel meteen voor onze ogen het aangename jaar des heren laat aanbreken.
En als hij hier niet meteen levert… en in Kafarnaum wel… dan is dat niet eerlijk!
Wij eisen dat God zich houdt aan onze normen wij willen dat de Heer zich conformeert aan onze waarden.
Waarom doet God in mijn leven niet, wat hij in het leven van anderen wel doet?
Waarom zijn wij zo rijk en kunnen kinderen in Burundi niet eens naar school?
Waarom brandt nu juist in Buja de grote centrale markthal af,
waar de hele economie van het land op draait.

Het zou in onze schema’s passen als een almachtige God vanuit de hemel alles wat hier scheef is gegroeid, in een klap recht zou zetten.

Maar dat soort miraculeuze, bovennatuurlijke ingrepen past niet in Gods schema…
Zijn schema is: Het is aan de mensen om recht te doen!
Zijn schema luidt: Ik heb jou bevrijd opdat jij anderen zou kunnen bevrijden.

Jezus noemt de weduwe van Sarepta (Sarfath) en Naäman, als voorbeeld.

Wij zouden zeggen:
Als een buitenlandse weduwe zo’n wonderkruikje krijgt van de God van Israël,
dan krijgen alle weduwen in Israël er natuurlijk ook een! Dat is eerlijk, toch?
Het is immers de God van Israël…  

Als Elisa, een profeet van de God van Israël, een vijandelijke buitenlandse generaal geneest van zijn melaatsheid, dan toch in elk geval ook alle vriendelijke binnenlandse mensen die lijden aan huidvraat… toch?  Een diep geworteld oer-heidens schema is het: Eigen volk eerst! Eigen ras voorop. Eigen religie – de enige echte.  

De God van Israël beantwoordt niet aan onze schema’s.
De eis dat Hij zich overal en altijd op dezelfde manier moet tonen. Geen sprake
van…  
De eis dat zijn heilige naam – Ik zal er zijn voor jou – alleen betrekking
heeft op een bepaald volk, een bepaald ras, een bepaalde persoon.  Niets daarvan! 

O en nog iets:
Deze twee verhalen over heidense buitenlanders,  die het heil van Israëls God ervaren, staan in het eerste testament.  Je hoort nog wel eens zeggen, dat het typisch christelijk zou zijn om het heil te laten uitstromen tot naar alle volkeren. Niets is minder waar…  Die gedachte is zo oud als de joodse traditie…
Jezus staat volop in de traditie en legt de mensen uit dat het niet goed is de
tekenen van dat heil voor zichzelf te claimen!  

Het heil is er voor jullie, joodse gelovigen hier in de synagoge, maar evengoed voor Syriërs als Naäman; Moabieten zoals Ruth; Kanaänieten zoals Rachab;  voor de koningin van Scheba en voor de negerjongen die Jeremia uit de put haalt.

Het is er voor  Koerden en Turken,  voor Berbers en Arabieren
voor Joden en Palestijnen; voor Christenen en Moslims;
voor  Marokkaanse rotjochies en voor de
drie prinsesjes, wier pappa binnenkort koning wordt. 

Door het niet-doen van een wonder in Nazareth, laat Jezus zien wie God is.
Door het niet-doen van een teken, volvoert hij de taak die hij zojuist op zich heeft genomen: de verkondiging van het aangename jaar des heren!

Jezus laat zien dat God zich niet in menselijke schema’s laat vangen.
Niet in het schema van “eigen volk eerst.”
Niet in het schema van autochtonen versus allochtonen.
Niet in het schema van legaal en illegaal.
Alle schema’s die mensen verdelen in “wij” en “zij” zijn uit den boze.
En dat kun je niet letterlijk genoeg nemen.

De Eeuwige is de schepper van heel de aarde en van alle mensen
God heeft het heil van alle mensen op het oog…
en daarbij zullen laatsten eersten en eersten laatsten zijn.
Nazareth dacht nou eindelijk eens de eerste te zijn…
Teleurstelling maakt zich van hen meester…
Teleurstelling die omslaat in agressie.

Jezus –  God met ons – laat ook teleurgestelde mensen niet zomaar vallen. 
Jezus gaat  vanuit de synagoge in Nazareth – een weg ook met de agressieve mensen. Hij gaat mee, maar er is een grens. Die ligt op de plek waar de humaniteit eindigt. Daar tekent de afgrond van de onmenselijkheid zich af.

Daar richt hij zich op! Van daaruit baant-God-met ons zichzelf een weg.
Tussen twee groepen agressievelingen gaat de gezalfde van de Heer
zijn geheel eigen weg. Het is een soort doortocht door de schelfzee…
Op naar een veelbelovend land.

Moge het u als gemeente en ons allen als individu gegeven zijn Hem te volgen op die weg…

Dat het zo mag zijn
Amen.