Witwaspraktijken

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God.

De openbaring van Johannes, wordt ook wel Apocalyps  genoemd.
Naar dat boek noemt men dit soort literatuur: apocalyptiek.
Die manier van schrijven werd gebruikt door mensen,
die wel graag iets wilden vertellen, maar dan alleen aan ingewijden. 
Je kunt nog het beste denken aan een codetaal,
die je alleen kunt begrijpen als je de sleutel hebt, de code kent.

Als in de oorlog een verzetsman het bericht doorkreeg
dat de appelen niet ver van de boom vallen,
wist hij dat er in de buurt van Boskoop
een voedseldropping zou plaats vinden.

Tegen heteind van de eerste eeuw,
dus zo tussen de jaren 90 en 100
vonden de eerste christenvervolgingen plaats.
De christenen komen samen op geheime plaatsen.
Verhalen over Jezus in omloop brengen, is levensgevaarlijk.
Verhalen waarin je de hoop op een betere toekomst verwoord,
worden uitgelegd als moties van wantrouwen tegen de gevestigde macht…
en kunnen ertoe leiden dat je voor de leeuwen wordt gegooid.
Je kijkt dus wel uit…
en dat in dubbel opzicht:
Je kijkt uit… met wat je zegt… je bent voorzichtig

Je kijkt uit…. naar de spoedige verlossing uit die ellende. 

Dat het koninkrijk Gods spoedig het Romeinse keizerrijk zou vervangen…
Dat deze wereldwanorde  spoedig tot een einde zou komen…

Dat christus spoedig zou wederkomen…
geloofden die vervolgde christenen van ganser harte,
maar het hardop zeggen, kon je je leven kosten.


De komst van dat koninkrijk, wordt in apocalyptische  taferelen beschreven
Het begint in hoofdstuk 5. Daar zien we een lam met een boekrol.
Die boekrol, met zijn zeven zegels, is het draaiboek van Gods Koninkrijk.
Telkens als er een zegel wordt verbroken, zien we een nieuw tafereel.
Met elk tafereel komt dat rijk een stap dichterbij.
In het begin is het één tafereel per zegel…
de vaart er goed in…
Het koninkrijk komt!
Het kan elke dag aanbreken. 


Maar naarmate de tijd verstrijkt, ervaart men ook vertraging.  
Achter het zesde zegel, komt niet één, maar komen wel drie taferelen te
voorschijn.
Bij het zevende zegel klinkt de bazuin niet één keer, maar wel zeven…
En dan, net als je denkt: ”Nu zijn we er!” komen er nog eens zeven schalen in beeld.
Ach wij kennen dat ook wel… Telkens als je denkt…
“We zijn er, nu is alles echt zoals het moet zijn!”
blijkt dat toch niet helemaal waar te zijn!
Het koninkrijk laat op zich wachten.

Vandaag lazen we het derde tafereel, achter het zesde zegel.
Eerst zien we hoe de kosmos in het ongerede raakt.
In codetaal wordt ons verteld, dat de keizer er een zootje van maakt.

In het tweede tafereel houden engelen, de krachten in bedwang
die op het punt staan de schepping te vernietigen.
In codetaal wordt ons verteld, dat de gelovigen overeind blijven,
ook al laat het koninkrijk op zich wachten.

Engelen brengen het zegel van de levende
God
aan op het hoofd van 12000 mensen uit elke stam van Israël.
In codetaal wordt ons verteld, dat die gelovigen gedoopt zijn
Het zijn mensen die weten, dat de dood niet het laatste woord heeft.
Het zijn gedoopte mensen, die met Mozes door de Schelfzee zijn getrokken
Het zijn gedoopte mensen, die met Christus door de dood zijn heengegaan.
Gedoopte mensen, die weet hebben van Pasen!
Het koninkrijk laat op zich wachten.

12 X 12000 = 144.000. Dat is een getal dat we kennen, uit gesprekken aan de
deur met Jehova’s getuigen. Zij menen dat de bijbelschrijvers 144.000 mensen
aftellen.
Zij proberen 144 000 ware gelovigen bij elkaar te colporteren en bezondigen
zich daarbij aan het voorspellen van de toekomst. Hun leiders misbruiken de
teksten voor waarzeggerij en winstbejag. Bijbelschrijvers tellen niet… Bijbelschrijvers
vertellen! 
Dat blijkt in het derde tafereel – het stuk dus, dat we gelezen hebben.
Daar is men uitgeteld. Daar wordt verteld over een onafzienbare menigte,
die niemand tellen kan… Dat is een ander beeld, van diezelfde mensen.
Eerst zien we de jonge christenheid geportretteerd  als een groot leger.
Ze worden als het ware neergezet in 12 carrés van 12.000 man.
Onderdrukte christenen herkennen zichzelf in die slagorden.
Ze leven het leven, velen als slaaf…
Zij weten zich vrijgekocht,
maar het blijft een heel gevecht om de moed niet te verliezen,
om te blijven hopen op dat koninkrijk dat maar steeds niet komt.  
Het beeld van de 144.000 tekent de strijdende kerk,
omdat het koninkrijk op zich laat wachten.

In het gedeelte dat we lazen, worden ze getekend als een ontelbare menigte.
Dan is de strijd is gestreden. Carrés kun je tellen, menigten niet.
De menigte staat, met palmtakken in de hand, voor de troon van het lam…
In codetaal wordt ons verteld: Hou vol, want er komt een moment
dat je de volle vrijheid van het Godsrijk zult ervaren!
In codetaal worden de vervolgde christenen getroost en bemoedigd.


Ik hoor u denken… Dat is allemaal leuk en aardig voor die mensen van daar en
toen. En we begrijpen best dat mensen die het tijdens hun leven moeilijk hebben
uitzien naar het hiernamaals… maar wat koop ik ervoor, hier en nu?  
Dat is een goede vraag! 

In dit derde tafereel, achter het zesde zegel, schuilt een antwoord op die
vraag, maar dan moet je kritisch naar die tekst durven kijken. Dan moet je niet
alles zomaar voor zoete koek aannemen. Dan moet je hardop durven zeggen, dat
het onmogelijk is om kleren wit te wassen in bloed. Menig reclamespotje heeft
ons al duidelijk  gemaakt dat bloedvlekken er haast niet uit te krijgen zijn.
Kortom, hier staat iets heel eigenaardigs.

Laten we bij het begin beginnen: Er wordt ons een blik in de hemel gegund.
Voor Gods troon staat die ontelbare menigte met palmtakken te zwaaien, en voor
de troon staat een lam. De engelen en de mensen loven en prijzen God… De
eredienst is in volle gang! We vallen binnen als het Gloria wordt gezongen: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid.  Amen.’ Het is per slot van rekening “zondag laetare”


Blijkbaar zijn er nieuwe mensen in de hemelse kerk, want er wordt gevraagd:
Wie zijn dat, daar, die mensen met witte gewaden aan?
‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn.
Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam.
Bizar… zou ik zeggen

In hoofdstuk vijf, waar dat 7-zegels-verhaal begint, gaat het over een gekeeld
bokje.
Het is ritueel geslacht, zou je kunnen zeggen… In het bloed van dat bokje, van
dat  offerlam hebben deze mensen hun
kleren gewassen en… zo lezen we in vers 17… en
Het lam midden voor de troon zal hen
hoeden.
Dat gekeelde bokje weidt die massa mensen. Je zou verwachten dat 1 mens
een massa bokjes, lammeren, schapen zou weiden, maar hier is het andersom.  
Bizar… Toch?

In hoofdstuk vijf is dat gekeelde bokje aangekondigd als “ leeuw van Juda.” 

De triomf van de leeuw, neemt de gestalte aan van een geslacht bokje,
van een weerloos lam. Het lam is het bokje… en dat blijft het ook.
Goede Vrijdag is geen vervelend intermezzo
het is een essentieel onderdeel van PASEN.
Het offer wordt niet te niet gedaan,
door de dood niet, en
ook door God niet
integendeel.



Het is nu precies die offervaardigheid waarin Jezus ons voorgaat.
Die offervaardigheid zou de kern moeten zijn van ons persoonlijk leven
en van ons kerk-zijn.

Maar ja… offeren, opofferen, dat ligt ons van nature niet zo
en zeker in deze neo-liberale dagen staan
waarden als assertiviteit en zorgen voor jezelf,
veel hoger aangeschreven dan opofferingsgezindheid.

Wij zijn van nature verzamelaars en jagers,
graaiers, die leven ten koste van anderen,
en zeker niet ten koste van onszelf.

In de loop van de eeuwen zijn wij, christenen,
dan ook op een geweldige manier aan de haal gegaan met onze eigen oude verhalen.

Dat kun je mooi zien aan afbeeldingen van het lam Gods.
In het begin was dat een lam, vaak met een aureool. Het droeg een kruis. 
Echt een symbool van kwetsbaarheid en lijden.

Dat lam gaat in de loop der tijd een vaandel dragen.
Dat was eerst een vlag aan het kruis …
later een vlag in plaats van het kruis …
De houding van het dier werd ook steeds zelfbewuster.

 

Ze zeggen dat keizer Constantijn christen werd,
maar ik vrees dat ij die gelegenheid Christus keizerlijke trekken kreeg. 
Het verhaal laat echter geen enkele ruimte voor een triomfantelijke Christus. 

Lieve mensen,
de gestalte van dat bokje is geen tijdelijke vermomming.
Het was niet bedoeld als… even iets alternatiefs en dan weer gewoon
het recht van de sterkste, of the survival of the fittest.
Het Lam Gods is en blijft, hoe triomfantelijk ook afgebeeld,
het symbool van het offer.

Als het over Jezus Christus gaat, dan gaat het over zijn offer.
Dat offer behoort tot zijn wezen… en wie hem volgen wil,
wordt uitgedaagd zich in te laten met wiswaspraktijken,
die tegen ons natuurlijk levensgevoel en tegen de tijdgeest ingaan.

In de kerk zijn we volop bezig met zelfbehoud.
De zelfopoffering van Jezus aan het kruis, wijst in tegenovergestelde richting.
Het bokje of het lam staat voor die andere weg…
De weg van het offer, de overgave, de vergeving
allemaal om de ban van oordeel en wraak te breken.

Je kleren wassen in het bloed van het lam, betekent dus:
ook zelf die weg gaan: 
vergeving oefenen,
zelfhandhaving opgeven…
omwille van God en zijn liefde.

Johannes vertelt over mensen die in omstandigheden van onderdrukking en crisis,
radicaal kiezen voor een leven vanuit de “weerloze liefde.”  Johannes toont ze ons in een visioen als een voorbeeld, een mogelijkheid, een aanmoediging om ook in onze tijd te kiezen voor de weg van het Lam.De weg van dienstbare opofferingsgezindheid.

Kleding laat zien wie je bent…
De blinde van Jericho werpt zijn bedelaarsmantel af, als hij naar Jezus
toegaat.
Johannes de doper profileert zich als profeet in zijn kamelenharen mantel.

Johannes vertelt over mensen in witte gewaden. Mensen die recht voor God staan,
maar niet omdat ze die witte kleren kregen aangereikt.  Ze dompelen zelf hun kleren, hun leven, hun bestemming  in het bloed van het bokje. Ze volgen hem op zijn weg.. de weg van offervaardigheid

Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van
het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’

Het lam treedt op als herder. Het is deze wereld omgekeerd.
Het lam, met weerloze weerbaarheid, brengt ons niet bij monding
maar bij de bronnen van het leven…
Niemand die onderweg zegt, dat je niet moeten huilen,
maar bij de bron, zijn de niet meer nodig, die tranen.
We zullen er als kerk moeten zijn voor de mensen in de hele samenleving.
Die samenleving is ons niet echt welgezind, en dus zal het vaak tegen onze
natuur ingaan, om solidair te zijn, maar het kan wel: als we levend uit die
bron…
Het kan wel, want je mag ook hier en nu … je kleren witwassen
in het bloed van het lam…  DHZMZ  Amen.