2011-03-13 uittocht-water-woestijn

Gemeente van onze Heer Jezus Christus.
Lieve mensen van God.

In de tijd dat Ajax Amsterdam de ene cup na het andere kampioenschap veroverde, werden de voetballers van die club “godenzonen” genoemd.
Hun voetbalmacht reikte tot aan de einden der aarde; als er al eens iets mis dreigde te gaan, dan leek het wel of ze door engelen gedragen werden.
Ze ontkwamen, ondanks zware overtredingen van hun tegenstanders aan blessures en stonden bekend als “Lucky Ajax.”
De stenen van betondorp veranderden in brood en de keien van het straat
voetbal wilden niets liever dan zich ontwikkelen tot broodvoetballers, met vorstelijke salarissen, luxe auto’s en mooie vrouwen.
Het volk gunde het zijn godenzonen, want aan brood was geen gebrek en zij zorgden voor de spelen.
Dat waren nog eens tijden… Velen vinden het jammer dat het al weer zo lang geleden is.
Ze werden godenzonen genoemd.
Zo wordt Jezus ook genoemd in het verhaal dat direct aan onze lezing voorafgaat.
Dat is het verhaal over zijn doop in de Jordaan. Daarin wordt verteld dat er op Jezus, zodra hij weer boven water komt, een duif neerdaalt uit de hemel.
Die duif, het symbool van de Heilige Geest, daalt neer op de Zoon en de stem van de Vader zegt: Deze is mijn geliefde zoon in wie ik een welbehagen heb.
Jezus een godenzoon. Jezus, de zoon van de God van Israël.

 Op die naam kom ik uitgebreid terug, maar eerst wil ik u graag nog even iets anders laten zien. Dat heeft te maken met de opbouw van het evangelie van Mattheüs. Nu denkt u misschien: Die opbouw zal me een zorg zijn, vertel liever wat meer over de inhoud. Die twee , vorm en inhoud, hebben alles met elkaar te maken. Het lijkt me goed om het losse blaadje dat u aantrof er even bij te nemen.
Daarop heb ik de opbouw het begin van het Mattheusevangelie


Mattheus begint zijn boek met de genesis/de wording van het volk Israel. Hij maakt een geslachtsregister en vertelt het verhaal van de wijzen, waarin je de
vertegenwoordigers van de andere volken naar Israel ziet toekomen.
– In het boek Genesis lezen we over de wording van de wereld  (bij de schepping) en de die van Israel ( bij Abraham). Zowel de schrijver van Genesis als Mattheüs
zetten eerst de verhouding tussen Israel en de volkeren uiteen, zoals die hoort te zijn. 
– In het tweede boek van de bijbel, Exodus, lezen we over Israël als slavenvolk in Egypte. Jakob is er heengegaan om zichzelf en zijn stam te redden van de hongerdood, zoals de heilige familie erheen trekt om aan Herodes te ontkomen. – – Zoals Mozes wordt gered van de kindermoord door farao; zo wordt Jezus gered van de kindermoord in Bethlehem, waar diezelfde Herodes verantwoordelijk voor was.
-Exodus vervolgt met de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee of de Schelfzee. Mattheüs vertelt over de uittocht uit Jezus’ ouderlijk huis en op dat moment maakt hij de doortocht door het doopwater van de Jordaan.
-Daarna zien we in Exodus het volk  voor 40 jaar de woestijn ingaan en Mattheüs beschrijft hoe Jezus 40 dagen wordt beproefd… in de woestijn.
-Mozes brengt zijn volk in Exodus bij de berg Horeb – en Mattheus begint in hoofdstuk 5 met de bergrede.

Als die overeenkomsten, dat kan geen toeval zijn… En de indruk dat Mattheus heel goed naar Exodus heeft gekeken, wordt in onze lezing van vanmorgen alleen maar sterker.  
* Bij de eerste verzoeking (stenen worden brood)  verwijst Jezus naar Exodus 16,
   het verhaal over het Manna in de woestijn.
* Bij de tweede verwijst Hij naar Ex. 17. Jezus antwoord satan: Er staat geschreven
   gij zult de Heer uw God niet verzoeken. In exodus 17 verzoekt Israel de Heer.
   Bij Rafidim, wordt Gods bevrijdingswerk in twijfel getrokken. Hij wordt a.h.w.
   tot een wonder gedwongen, om zichzelf te bewijzen.  
* Bij de derde verzoeking (knieval voor S) naar ex. 18 waar Mozes de verleiding
   moet weerstaan om alle macht aan zich te houden, alleenheerser te worden.
   Jetro, zijn schoonvader waarschuwt hem om geen tweede Farao te worden

De drie verleidingen worden a.h.w. overwonnen met teksten uit respectievelijk Exodus 16, 17 en 18. En in Exodus 19 bereiken we de berg Sinai en Mattheus begint in hoofdstuk 5 aan de Bergrede, die we – omdat Pasen zo laat valt dit jaar – deze keer voor de 40-dagentijd hebben behandeld. Meestal is dat stof voor de zomer.
Je kunt gerust zeggen dat Mattheüs zijn evangelie bewust heeft opgebouwd langs het stramien van Exodus. Zijn evangelie is een groot bevrijdingsverhaal. Het werkt vanaf de eerste letter toe naar het einde: Paasmorgen! 

Het is goed om dat vanaf het begin van de 40 dagentijd vast te houden:
We zijn op weg naar Paasmorgen. Naar die heerlijke dag waarop we vieren dat zelfs de grootste verleiding is overwonnen en daarmee de verleider!
Satan heeft niets te vertellen. De dood is uitgepraat…

Ik beloofde u terug te komen om die naam, of die titel: Zoon van God.
Jezus is niet de eerste in de Bijbel die met die titel wordt aangeduid.
Als Mozes, in het boek Exodus, de opdracht krijgt naar Farao te gaan, dan lezen we in Exodus 4:22 de volgend woorden: En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon.
En in vers 23:  Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om mij te vereren,
maar dat heb je geweigerd. Daarom zal ik jouw eerstgeboren zoon doden
.”

Met andere woorden: In Thora wordt het hele volk Israel aangeduid met de titel:
Zoon van God. En dat gebeurt niet omdat ze zo succesvol zijn. Integendeel, zij zijn de verworpenen der aarde, de slaven van de Farao, de minsten van de minsten onder de mensen.
Dat is typisch voor de God van Israël, die verbindt zichzelf nooit met de machtigen der aarde, maar altijd met de schlemielen. Hij is totaal anders dan de andere goden en dat blijkt eens te meer als God Israël zijn zoon noemt. Want de farao heet Ra mses – Zoon van RA – zoon van de zonnegod. Met andere woorden:
Voor deze heel bijzondere God zijn heel gewone mensen, sterker nog de zwaksten onder de heel gewone mensen, net zo belangrijk als die Zoon van Ra. Het simple feit dat het Volk wordt aangeduid als zoon van God, betekent zoveel als:
Denk maar niet dat je meer bent dan een ander, zelfbenoemde godenzoon,
want mijn volk is MIJN ZOON. Dat volk, daar ga ik voor! Met compassie, mit Leidenschaft. Ik ga voor hen uit op de weg van bevrijding. Letterlijk in een wolkkolom overdag en in een vuurkolom gedurende de nacht.

Ziet u, de blijde boodschap van de bevrijding van zonde en dood wordt ons verteld in een evangelie dat is opgebouwd volgens het stramien van het grote bevrijdingsverhaal van Israel uit het land van dood en duisternis.
Mattheüs maakt op zijn eigen literaire manier werk van Jezus’ uitspraak:
Ik ben niet gekomen om de Thora af te schaffen maar om die te vervullen.
In de afgelopen weken hoorde u regelmatig de term: Jezus leeft Thora.
Dat wordt ook duidelijk in de structuur van het Mattheüsevangelie.

Het bevrijdingsverhaal van Exodus wordt beschreven als een tocht door de woestijn. Net als de berg, heeft ook de woestijn zijn eigen plek in de platenreeks die tot voor kort hier aan de muur hing. Want om het begrip woestijn in Bijbelse verhalen goed te begrijpen, moet je je niet met gewone aardrijkskunde bezig houden, maar met Bijbelse aardrijkskunde. Het landschap wordt steeds gebruikt om te vertellen. De woestijn is in de bijbel altijd een plek waar iets te leren valt en zo’n leerperiode duurt 40 jaar of 40 dagen.

Het meest indrukwekkende van de woestijn vind ik de immense stilte die er heerst. De hitte valt ook op, maar de stilte is zo intens, dat je als het ware het bloed in je aderen hoort stromen. Het lijkt wel of we juist in de woestijn kunt ontdekken wat ons in het bloed zit. Daar kun je jezelf leren kennen, want er is
niet dat je afleidt…  Zelfs het beweeglijke kind dat elk vogeltje ziet vliegen, kan zich in de woestijn prima concentreren, want er vliegen daar geen vogeltjes.
En wat leer je daar dan? Het volk Israel ontdekt dat slavernij niet alleen iets is wat een koning je oplegt, maar dat het ook een stuk van jezelf kan worden. Het geeft een bepaalde zekerheid. “Je weet wat je hebt, en moet maar afwachten wat je krijgt.” Hoe zal het leven eruit zien zonder mijn verslaving? Zou het moeilijk zijn om in de 40-dagen geen alcohol te drinken? Weet je, ik begin er niet aan, stel je voor dat ik het niet volhoud… Breng ons maar terug naar de vleespotten van Egypte. Daar moesten we wel hard werken… maar je wist waar je aan toe was.

Wie met die hoogst merkwaardige God van Israël op weg gaat, die weet niet waar hij aan toe is. Die moet zich een heel ander soort zekerheid eigen maken. Die moet leren… vertrouwen. Die moet leren geloven…

Satan benadert Jezus in de woestijn. Hij heeft 40 dagen gevast en 40 dagen nagedacht over die merkwaardige woorden die klonken bij zijn doop: Deze is mijn geliefde zoon, in wie ik een welbehagen heb. Godenzoon.

Satan. Dat woord betekent zoveel als: de splijter, de macht die verdeelt, degene die mensen tegen elkaar en daarmee tegen God opzet… Die satan, die gaat naar Jezus toe. Hij erkent Jezus als godenzoon en komt eigenlijk met wat praktische tips.
Als jij wilt dat de mensen van je volk je ook erkennen als zoon van God, als de Messias, dan zou je er goed aan doen om al die stenen die hier liggen, te veranderen in broden. Want als je de scharen te eten geeft, dan ben je hun man.

Geef ze hun dagelijks brood en je hebt het als Messias een stuk gemakkelijker.
Dan gaat het vanzelf!  Geloof mij nou maar. Ik heb er ervaring mee. De keizer in Rome doet het ook zo. Hij geeft de mensen brood en spelen en zijn macht staat zo vast als een huis.
Maar stel je eens voor dat Jezus op die suggestie zou ingaan. Dan zou hij gelijk worden aan de keizer van Rome, aan de farao van Egypte, aan de emir van Quatar, de koning van Saoedi Arabie. Hou het volk tevreden en je hebt zelf de macht. 
Maar met brood alleen is een mens niet tevreden. Dat is ook niet de bedoeling.
Er is meer te beleven… Het gaat God om menselijkheid, om het feit dat mensen tot hun recht komen, om wat wij mensenrechten noemen. De universele verklaring van de rechten van de mens is doordrenkt van joodse en christelijke waarden en normen. Ik zal die verklaring niet in de plaats zetten van Thora, maar het is een prachtige toepassing van Thora en Evangelie voor de hele mensengemeenschap. Wie die mensenrechten ondergeschikt maakt aan materiële belangen, geeft daarmee de God van Israel een slag recht in het gezicht. En wij maar denken dat we daar voordeel van zullen ondervinden. Hoe kortzichtig kun je zijn.
Gij zult niet bij brood alleen leven… en waar het om dat dagelijks brood gaat?
Daar mag je om bidden… en de Heer zal erin voorzien, zoals hij dat deed tijdens de woestijnreis, toen het manna als brood uit de hemel daalde.
De mens Jezus vertikt het om de plek van God in te nemen.
Hij leeft zijn leven als mens. Het gaat hem om humaniteit, om echte menselijkheid. Niet om macht omdat hij een trucje kent met stenen en brood.
Het gaat hem om mensen zoals de Heer ze van den beginne heeft bedoeld.

Maar de splijter probeert het nog een keer. Als je van het dak van de tempel springt en engelen je opvangen, zullen al die superreligieuze de mensen daar beneden op
dat tempelplein denken dat je rechtstreeks uit de hemel komt. Nou dan is je kostje gekocht. Dan kunnen ook de priesters en zelfs de hogepriesters niet om je heen. Dan zullen ze moeten erkennen dat jij de godenzoon bent, dat jij de Messias bent.
Je zult boven alle mensen staan, bij de gratie Gods zul je hun heer en meester zijn.
Wat wil je nog meer?

Nou dat weet Jezus wel. Hij weet heel goed wat hij nog meer wil. Hij wil niet dat mensen voor hem kiezen op grond van het feit dat hij rechtstreeks uit de hemel komt vallen. Dat zeggen ze van Heilige boeken, dat ze rechtstreeks uit de hemel komen… fundamentalisten in allerlei kerken en religies hebben daar een handje van. Er zijn moslims die dat zeggen van de Koran. Mormomen die dat beweren over het boek van Mormon; christenen die zo met de bijbel omgaan en ook ten aanzien van de Veda’s en de Bahavad gita zijn er ongetwijfeld mensen die het gezag van die boeken koppelen aan het feit dat ze ons vanuit de hemelen geschonken zijn.

Kijk als iets of iemand rechtstreeks van een almachtige God komt, ja wie ben je dan als mens om daar ook maar iets over te zeggen. Die persoon staat – in dat geval – dan zo’n ontiegelijk eind boven ons, dat we alleen maar in aanbidding ter aarde kunnen vallen of de handen opheffen… Maar die God van Israel ging helemaal niet voor de macht, weet u nog. Hij gaat voor een slavenvolk, niet om ze nog dieper in de slavernij te dompelen, maar om ze te leren leven als vrije mensen. Hij is de bevrijder. Hij is degene die je weghaalt uit dood en duisternis.
Als je dat ontkent… ben je bezig de Heer te verzoeken.
Israel leert in de woestijn dat je god kwaad kunt krijgen door hem te verzoeken; door de bevrijding te ontkennen. Door te roepen: had ons maar in Egypte gelaten! Ze zitten in Exodus 17 zonder water en zelfs Mozes laat zich dan verleiden: Hij spreekt niet tot de rots, maar slaat erop.
Even lijkt het door de kracht van Mozes te komen dat het volk zijn dagelijks water krijgt, terwijl het toch duidelijk de Heer is, die daarin voorziet. Voor een keer hangt Mozes de godenzoon uit… en gaat het beloofde land niet binnen, omdat hij God verzocht heeft… Gods uniciteit ontkennen. De bevrijder negeren.
De hemelse godenzoon uithangen, zou voor Jezus betekenen: God verzoeken.
Ontkennen dat Israëls God volkomen anders is dan al die andere goden.
Dat doet Jezus niet: Er staat geschreven: Gij zult de Heer uw god niet verzoeken.

De grote Duitse Theoloog Karl Barth was ook helemaal wars van dat soort
religieuze verwachtingen. Hij zag soldaten van Hitler lopen met “Gott mit uns” op de koppelriem en walgde van de gedachte dat God partij zou kiezen voor welke kant dan ook. Religion ist unglaube werd zijn adagium. Wij mensen moeten niet net doen alsof we goden zijn; we moeten ook niet net doen alsof God aan onze kant staat. Wij mogen als mensen leven. Wij mogen als vrije mensen en niet als marionetten van de een of andere machthebber. Wie de naam van God gebruikt om mensen tot marionetten te maken, die verzoekt de Heer.

Heeft u er ook wel eens van gedroomd om – al was het maar voor een dag – de baas van de wereld te zijn. Kinderen voor kinderen zong er vroeger over: Als ik de baas zou zijn van het journaal. Dat is ook zo’n droom die ons allemaal in het bloed zit. Dat is ook aan de orde  bij de derde verzoeking: Eén knieval voor de satan en de hele wereld danst naar je pijpen. Een knieval voor de satan en alle mensenrechten worden ondergeschikt gemaakt aan jouw luimen en grillen. En dan kun je wel denken dat jij alleen maar het goede voor hebt met de wereld en met de mensheid, maar ook bij jou en bij mij zit dat streven naar macht in het bloed en het valt waarachtig niet mee om die onder controle te krijgen en te houden.

Jezus’ weg is niet de weg van de macht, maar die van de weerloosheid. Jezus wil zijn wil niet opleggen aan mensen, maar als kwetsbare zoon van een god die kiest voor slaven, voor de armen, voor de zwakken in het leven staan. Hij gaat niet in op de suggestie om als een soort verlicht despoot de wereld te regeren, omdat in z’n constellatie de vrije mens niet volledig tot zijn recht kan komen.

Jezus vertrouwt zonder meer op God. Zonder reserves, zonder mitsen en maren.
Zelfs nu hij al 40 dagen heeft gevast in de onherbergzaamheid van de woestijn, laat hij zich niet verleiden door de splijter. Hij laat zich niet scheiden van het volk waartoe hij behoort, hij laat zich niet scheiden van de mensheid waar hij voluit deel van uitmaakt. Jezus kiest ervoor om zijn weg als mens te gaan, ook al wordt dat een woestijnreis, een lijdensweg. Maar juist in de woestijnperioden van het leven mag je op God vertrouwen; als er niets aders meer rest – als je partner er niet meer is, als je kinderen je voorgaan naar het koninkrijk der hemelen, als je klaar moet zien te komen met verdriet en frustratie uit vorige perioden in je leven; als je lijf tijdelijk of definitief niet meer doet, wat je graag wil. In perioden van rouw en van ziekte, van spanning en ook als je bijvoorbeeld verslaafd bent aan drugs.

Dat brengt me bij het laatste punt van deze preek:

De diaconale collecte is bestemd voor het werk van het drugspastoraat in Amsterdam. De diaconie zal daar straks meer over vertellen, maar in mijn
vorige gemeente Zeevang woont een bestuurslid van het drugspastoraat.

Zij vertelde me ooit hoe de bestuursleden begonnen zijn met alle anonieme
graven van overleden drugsverslaafden van een kleine steen met een naam te voorzien.  Mensen die als junks (afval van de samenleving) onder de grond
waren gestopt met op het graf een paaltje met een nummer.
Mensen zonder naam, mensen die geen naam mogen hebben, worden niet als mensen beschouwd, maar veeleer als onmensen. Dat kan natuurlijk niet.
Dat laat de kerk niet gebeuren. Het was een enorm werk om al die namen te achterhalen. Het koste een hoop geld om al die stenen te laten maken.
Het kostte veel tijd om bij elk graf een korte plechtigheid te houden en
het paaltje te vervangen door een steen. Maar er wordt in Amsterdam geen
verslaafde meer begraven zonder naam, gebeiteld in een steen.
Want junks bestaan niet… wel mensen met een verslaving.
Hun leven is vaak één grote woestijntocht…
ook die duurt 40 dagen of 40 jaar… 
ook aan hun lijdensweg komt een einde
en het einde van die lijdensweg is PASEN – opstanding
ingaan door de smalle poort, in het koninkrijk der hemelen.

Daar zullen de engelen hen verzorgen…
zoals ook Jezus werd verzorgd door degenen die Gods compassie
zichtbaar kwamen maken aan het eind van onze lezing van vandaag.

Geve de Heer dat zijn compassie op deze aarde zichtbaar mag worden
in het handelen van de leden van zijn kerk.

Dat het zo mag zijn,

AMEN