Je zult de Heerlijkheid des Heren zien

Je zult de Heerlijkheid des Heren zien

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, Lieve mensen van God,


Het zijn met de verhalen wel hoor, die we vandaag krijgen voorgeschoteld.
Een man die al vier dagen in het graf ligt, komt alsnog naar buiten en – zo mogelijk, nog sterker – een dal vol dorre doodsbeenderen die weer tot leven komen. Voor een allereerste conclusie hoef je geen theoloog te zijn:
We zijn vandaag op bezoek in het huis van de dood.

Dat huis ligt buiten… Buiten de stad Babel, waar Ezechiël verblijft te midden van de ballingen. Buiten het dorp Bethanië, waar Maria, Martha en Lazarus hun leven leven.

Allebei buiten de stad Jerusjalaïm.
De inwoners van die stad zijn ten tijde van Ezechiël in ballingschap weggevoerd.
Ver weg van de stad van de vrede… Ver weg van het land waar het leven goed is, of althans goed kan zijn.

Bethanië betekent  zoveel als huis van de armen, het huis der ellende.
De mensen daar bewonen een dorp dat geografisch niet ver van Jeruzalem ligt, maar zeker Maria, Martha en Lazarus zijn verre van de stad van de vrede.
Ver weg van de makom, de plaats waar het leven goed is…

Het dal van de dorre doodsbeenderen bevindt zich niet binnen de muren van de stad, waar de mens rechtsbescherming geniet, maar in het open veld… de wildernis… en ook de begraafplaats bevindt zich niet binnen de beschermende muren van stad of dorp, waar de Thora bescherming biedt.

De profeet Ezechiel ervaart de hand van God, die hem als het ware in zijn kraag grijpt en brengt op de plek waar dood en verderf heerst. Een plek waar het leven volledig geweken lijkt, waar niemand de woorden van Ezechiël wil horen.
Het beeld van de dorre doodsbeenderen staat voor de Israëlieten in ballingschap. In hoofdstuk drie lazen we al: Ze zijn weerspannig, willen de woorden van Thora die jij hier vertolkt niet horen. Geen wonder dat Gods zacht dwingende hand nodig is om Ezechiël naar buiten te brengen, naar dat dal, waar God hem gebruikt als Zijn werktuig, Zijn instrument. Het woord van de profeet zal deze dorre beenderen tot leven wekken.   

Zo dor en doods kan het leven in het land van de ballingsschap niet geworden zijn. Israel zal terugkeren naar het land van belofte… Israel zal leven! Hoe zeer de mensen er ook een zootje van maken, altijd weer verschijnt de kabood JHWH, de Heerlijkheid des Heren. Altijd weer blijkt de natuur – door de heidense volkeren zo intens vereerd –  te moeten wijken voor de kabood adonai, de Heerlijkheid van de Heer.

Op het moment suprême, als die heerlijkheid verschijnt klinkt het geluid van wagenwielen en het geruis van engelenvleugels. De cheroebim, de engelen brengen a.h.w. de Heerlijkheid Gods vanuit de hemel naar de aarde, opdat mensen die zich hebben overgegeven aan de dooie boel van de afgodendienst, mensen die op het dode spoor zijn geraakt van de aanpassing aan de Babylonische cultuur, mensen die hun eigen godsdienst om zeep helpen door de dominante religie in hun ballingsoord over te nemen. De bijbel spreekt daar heel ondubbelzinnig over. Gooi je eigen traditie nooit grabbel, omwille van een dominante andere godsdienst of ideologie. De orthodoxe joden in ons land hebben het grootste gelijk van de wereld dat ze zich verzetten tegen de dwingende dierenliefde van Marianne Thieme en kornuiten, die het kosjer slachten willen verbieden. Godsdienstvrijheid is een groot goed.

Jezus was ook buiten… Hij was zelfs buiten de landsgrenzen, in het Overjordaanse, het huidige Jordanië. Binnen was hij persona non grata en
hoe dichter bij Jeruzalem, hoe gevaarlijker het was.

Nu is er vlak bij Jeruzalem iemand ziek geworden.  In Bethanie, in het huis der ellende … De goede verstaander hoort het… ook ziekte hoort bij buiten, bij het open veld, bij de wildernis. Maar zo goed als de dorre doodsbeenderen daar niet lag om de ellende te illustreren, interpreteert Jezus  ook deze ziekte op zijn geheel eigen wijze. De ziekte is niet ten dode, maar om de Kabood Adonai, de heerlijkheid van de Eeuwige zichtbaar te maken.

Jezus blijft nog twee dagen in het Overjordaanse en gaat dus op de derde dag naar Judea. Ten derden dage … op de derde dag vallen de grote beslissingen.
Jezus vertrekt ten derden dage richting Bethanie; richting Jeruzalem.
Zijn vrienden protesteren… Het is te gevaarlijk in hun ogen en helemaal ongelijk hebben ze niet… in onze ogen. Maar de ogen van Jezus zien iets anders… iets waarvoor hij zijn vrienden en zijn volgelingen de ogen wil openen. Hij wil ons laten zien dat je naar dood en verderf kunt kijken als het absolute einde; maar je kunt er ook naar kijken en de heerlijkheid Gods ervaren. Je mag leren zien dat God zijn volk nooit in de steek laat… niet in de dagen van Abraham, niet ten tijde van Mozes, niet toen David koning was en niet in de dagen van Ezechiël…. 
Noch ten tijde van Thora… noch in de periode van de  De psalmen zingen van zijn eeuwige trouw.

Natuurlijk weten de vrienden dat… zoals wij er ook weet van hebben.
Maar weten, verstandelijk, cognitief weten is niet genoeg. Wat dan?
Is er echt een bijzondere gebeurtenis nodig om door te laten dringen dat de geschiedenis van Gods heilzaam ingrijpen, ook jouw geschiedenis is? Moeten er
wonderlijke dingen gebeuren, voor we aannemen dat er ook voor ons te midden van alle duisternis – licht is in de wereld? Zijn bijna doodervaringen voorwaarde om aan te nemen dat er ondanks alle dood een weg ten leven is?

Jezus vertrouwt daar onvoorwaardelijk op. Niet op grond van bijna-dood-ervaringen; niet op grond van allerlei als bovennatuurlijk  geïnterpreteerde gebeurtenissen, maar op basis van Thora en de profeten en de psalmen. Jezus levert zichzelf uit aan Gods geschiedenis met mensen – een weg ten leven,
een weg naar een fantastische kwaliteit van leven. Een weg van kabood Adonai, van de heerlijkheid des Heren.

Jezus maakt zijn leerlingen duidelijk dat Lazarus echt dood is, maar dat maakt de reis naar buiten des te meer noodzakelijk. Nu Lazarus dood is, kan Jezus alleen al door er heen te gaan laten zien, dat zijn vertrouwen op die kabood Adonai onbegrensd is.  

Jezus nadert Bethanië waar het rouwbeklag nog in volle gang is. Martha maakt zich daaruit los en gaat Jezus tegemoet. “Als jij er geweest was, dan…”   Die uitspraak wordt in menige kinderbijbel geïnterpreteerd als een verwijt; weliswaar een verwijt dat voortkomt uit intens verdriet, maar toch…
Maar het is helemaal geen verwijt, integendeel het is een uiting van haar vertrouwen… en dat vertrouwen is nog springlevend, want ze zegt meteen daarna: Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’
 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’  Zo iets zeg je toch niet tegen iemand die net nog een broer en huisgenoot zat te bewenen? Het zijn mooie woorden, maar niet voor een rouwbezoek.
Toch weet Martha er wel raad mee. Ze zegt: Ja,ik weet dat hij bij de opstanding op de jongste dag zal opstaan. Tot nu toe zijn die twee het eens. Martha’s vertrouwen doet niet voor dat van Jezus onder. Maar toch… toch wil de Heer haar nog iets nader uitleggen. Hij laat haar zien dat die opstanding niet voor later is, voor ooit eens, maar voor nu. De jongste dag is niet een dag in de verre toekomst… De jongste dag is niet in 2012 . Die jongste dag is nu! De dag van vandaag. Die dag is daar waar Jezus is. Hij, hij is zelf de opstanding en het leven en wie zijn vertrouwen richt op HEM zal leven. Wie leeft met de Eeuwige, die leeft een kwaliteitsleven dat niet stuk kan! Die LEEFT met vijf hoofdletters en die sterft van ze lang zal ze leven niet.

Martha beaamt Jezus woorden met een geloofsbelijdenis. Ze gaat naar haar zuster Maria. Dat staat ook Maria op uit haar rouwbeklag en … iedereen denkt dat ze naar het graf gaat, maar ze gaat naar Jezus haar levende Heer.
Het lijkt wel of de evangelist niet kan wachten tot het Pasen is … Twee vrouwen op weg naar de levende Heer.

Johannes vertelt over Maria hetzelfde als over Martha. Vertrouwen is het sleutelwoord, maar dat doet niets af aan het grote verdriet van deze beide zussen. Bovendien ziet hij al het weeklagen van de mensen om hen heen…
en dan is er een merkwaardige mengelmoes van ergernis enerzijds en compassie anderzijds. Aan de ene kant vindt Hij het veel te veel eer voor de dood dat mensen zo volledig uit het veld geslagen zijn, vandaar die ergernis; maar het intense verdriet en het gemis roept uiteraard ook ontferming wakker bij de man uit Nazareth.  Waar hebben jullie hem neergelegd? Ze gaan naar het graf en hj laat het openen. Het is al de vierde dag… Zelfs de derde dag, de dag waarop God in de verhalen vaak beslissende dingen doet, is al voorbij!

Jezus rekent anders… Hij is nog in het Overjordaanse gebleven  nadat hoorde van Lazarus’ dood. Voor hem is dit de derde dag … Hij leeft andere tijden, en hij nu juist zijn geschiedenis delen met zijn vrienden. Die geschiedenis is verbonden met God en met de joodse traditie. Jezus citeert een deel uit het 18-gebed, waar het gaat over de opstanding der doden. In de oude joodse gebed wordt over de opstanding gesproken vanuit de zekerheid dat de God  van Israël een levende God is, sterker nog een levengevende God.

Dan roept Jezus: Lazaraus kom uit! En met kleine pasjes komt de dode – nee, de levende, uit die grafkamer gewandeld. De omstanders mogen de doeken afwikkelen… De mensen mogen deze broeder bevrijden uit zijn doodsgewaad.
De omstanders bevrijden de dode…

Dat is mooi.
Degenen die deze mens hebben doodverklaard
Degenen die hem hebben ingewikkeld en het dus ingewikkeld hebben gemaakt, mogen/moeten hem nu ook weer de ruimte geven om te leven.

In Andijk hebben we een z.g. leerhuis, dat is eigenlijk gewoon een gespreks-groep, maar wel een waar mensen graag iets nieuws leren, graag kennis nemen van nieuwe inzichten, een lerende gemeenschap zou je kunnen zeggen…

Toen we daar een tijdje geleden over het begrip “dood” spraken, zoals dat in de bijbel aan de orde komt, waren we er al snel achter dat dood zijn veel meer is dan alleen overleden zijn… Mensen verklaren elkaar dood, zwijgen elkaar dood, werpen elkaar blikken toe, die – als blikken konden doden – het leven zouden vernietigen. Op dood spoor raken, er een dooie boel van maken.

We doen het soms onszelf aan, maar heel vaak ook elkaar.
We doen elkaar de dood aan en God beklaagt zich erover op goede vrijdag als we het “beklag Gods” bidden… 

Mensen, wat heb ik u misdaan en waarmee heb ik u bedroefd?

Zo schoon als de hemel schiep ik de aarde,

licht in de dauw en de vloeiende bron,

zon in de ogen van mensen die leven.

Korstmossen kwijnen en witte kamille.

Waarom wordt alles gewijd aan de dood?  

Met die zin eindigt elke strofe: Waarom wordt alles gewijd aan de dood?  

 

We doen elkaar “dood”aan, maar mogen elkaar ook bevrijden van die windselen en leven… leven met grote kwaliteit…
WE mogen dat doen op grond van de Thora en profeten,
die wij – heidenen van huis uit –  dank zij de christus van de schriften hebben leren kennen.  Dat is prachtig, schitterend, heerlijk! Dat is kabood adonai

 Geve God ons net zoveel vertrouwen op die Heerlijkheid des Heren, als Jezus had.

Dat het zo mag zijn

AMEN