la condition humaine

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God.



In de eerste hoofdstukken van Genesis wordt ons duidelijk gemaakt dat God in de
hemel woont en dat de aarde voor de mens bestemd is. Dat is geen geografie. Dat is geen kosmologie. Dat is theolgie. Kennis over God, of lieve: kennis over de verhouding tussen God en mens.

Die God in de hemel spreekt. Gods Woord geschiedt in de hemel en alzo ook op de aarde.  Als God de mens heeft geschapen, ziet Hij dat het zeer goed is, want de mens doet Zijn Woord.

Waar Gods woord geschiedt, wordt de aarde bewoonbaar.
Waar Gods woord gedaan wordt is de aarde paradijs, hof van Eden.
Waar Gods woord gedaan wordt, krijgt de mens grond onder zijn voeten.
Dat klinkt ideaal, maar het kan ook anders.

Er blijken in die tuin twee bijzondere bomen te staan:
De boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad.  
De vrouw at van de vrucht en ook de man at van de vrucht van de boom der kennis
van goed en kwaad. Dat is een heel bijzonder moment.

Deze man en vrouw eten. Ze blijken mensen te zijn zoals u en ik.

Ze onderscheiden ze zich van de dieren.
Ze hebben weet van goed en kwaad.
Ze hebben een geweten, de moraliteit manifesteert zich.

Dat onderscheidt ons immers van de dieren:

Wij weten van goed en kwaad.
Er moet gekozen worden! Die keus is:
Gods wil geschiedt in de hemel en alzo ook op de aarde / of niet.
De keus is: Gods Woorden doen of Gods Woorden laten. Dat is Genesis 3.

In Genesis 4, onze lezing van vandaag, wordt verteld hoe we met die kennis en die keuzes om kunnen gaan. God roept ons op het goede te doen en het kwade te weerstaan.

Want het kwaad hoort onontkoombaar bij onze leefwereld. We hebben het zelf opgeroepen. Het kwade komt niet van God. Dat is een schepping van de mens. De mens die probeert als God te zijn en schept zichzelf een enorm probleem: de kennis van goed en kwaad, met alle dilemma’s die daaruit voortkomen. 

Voila, la condition humaine… of te wel: zo zit het leven in elkaar.

Bij Kaïn blijkt, dat Gods oproep het goede te doen en het kwade te weerstaan, aan dovemans oren gericht is. Het goede doen, betekent o.a. verantwoordelijkheid nemen voor je broer.

Ging het in de eerste drie hoofdstukken vooral over de verhouding tussen God en
mens… In hoofdstuk 4 gaat het over onze onderlinge verhoudingen. Darvoor tekent
de verteller het spanningsveld tussen de sterken onder ons en de zwakke
broeders onder de kinderen van Eva.

Kaïn – zijn naam betekent zoveel als hij die verwerft.  Kain doet zijn naam eer aan. Hij eigent zich een stuk land toe…  Hij bewerkt het als een boer. Die akker is zijn plek. Hij verwijdert stenen en onkruid. Ploegt en egt…  Hij zet de bodem naar zijn hand. Het werk is zwaar, maar Kaïn is groot en sterk.

 

Abel  -zijn naam betekent damp… wolkje, iets dat je zomaar wegblaast.
Hij bewerkt de grond niet, maar trekt van de ene plek naar de andere.
Hij zet de dingen niet naar zijn hand, maar hij leeft van wat de bodem biedt. 

Twee mensen… Twee namen… twee levensstijlen… in één spanningsveld.

In die spanning vertelt Genesis 4 wat het betekent om het kwaad te weerstaan.  
Wat betekent het om over de zonde te heersen?

Heersen over de zonde betekent, dat je je niet meteen laat meeslepen door wat
er in je opkomt. Wat er zo spontaan in mensen opkomt, dat is meestal niet veel
goeds. De bijbel is echt niet optimistisch over de mens.

Dat pessimistische mensbeeld is het overdenken waard.

In spreuken 9 bijvoorbeeld gaat over de kwaliteit van leven die God voor mensen
in petto heeft. En dan zegt de spreukendichter dat die kwaliteit door geen oog
ooit is gezien, door geen oor is gehoord, en in geen mensenhart is opgekomen.  Het is echt niet aan te bevelen  om datgene wat er in je opkomt, te koppelen
met God. Het is veeleer verstandig om heel kritisch te zijn t.o.v. je
menselijke gevoelens en gedachten…

Je kunt beter maar wat argwaan koesteren t.o.v. je onderbuik.
Waarom? Omdat je weet hebt van het kwaad, dat ook in jou huist.
Omdat we weet hebben  van het feit dat ook wij de mist in kunnen gaan.
God roept ons op om ons geweten niet tot zwijgen te brengen.

O.K. Je kunt je te zeer bewust zijn van je persoonlijke zondigheid; maar je kunt er ook al te gemakkelijk aan voorbij leven. Hoe kritisch zijn we nog t.a.v. onszelf?

We kijken met een zekere zelfgenoegzaamheid naar onszelf. Maar om te kunnen leven op de manier die God bedoelt, hebben we niet genoeg aan onszelf… Daarbij kunnen we niet zonder het kritische Woord van God.   

 

Terug naar ons verhaal. De landbouwer en de schaapherder brengen een offer.
Beide willen God bedanken voor wat de schepping hen te bieden heeft…
en nu kunnen de kinderbijbelschrijvers Kaïn nog zwart maken, maar de Here God
heeft niks tegen boeren. God heeft ook niets tegen sterke mensen.
Over eventuele oneerlijke motieven van Kaïn lezen we in de bijbel niets.  

Het feit dat God het offer van Abel wel aanziet en dat van Kaïn niet, dat is
puur toeval of noem het willekeur.  Er
wordt door de verteller geen enkele reden voor gegeven. Het gebeurt gewoon…

Voilà, la condition humaine. Of te wel: zo zit het leven nu
eenmaal in elkaar.

Van nature is er geen rechtvaardigheid.
Mensen die leven vanuit een of ander hoogstaand moreel besef, stapelen ongeluk
op ongeluk en de schobbejakken gaat  het
voor de wind.

Het noodlot treft degene die zijn best doet en hij die het toch al breed heeft,
wint de loterij en wordt multimiljonair. De een heeft altijd mazzel; de ander is de eeuwige schlemiel.

Zo gaan de dingen nou eenmaal.
Daar kun je bij neerleggen, maar je kunt ook proberen als mens of als
samenleving iets van recht en rechtvaardigheid te weeg te brengen.
Dat gebeurt in het ene land meer dan in het andere.

In de ene samenleving wordt alles aan het natuurlijke spel der economische
krachten overgelaten. In andere landen bestaat een fatsoenlijk sociaal vangnet,
waaraan iedereen een bijdrage levert.

Kaïn begrijpt
niet er wel naar Abels offer wordt gekeken en niet naar het zijne.

Het maakt hem woedend. Hij neemt dat Abeltje mee het veld in en slaat hem…
dood.   En dan vraagt die God ook nog aan
hem: Kaïn waar is je broeder?

De vraag stellen, is hem beantwoorden, dat begrijpt Kaïn ook wel.
Ben ik soms mijn broeders hoeder?

Razend is hij… Zo razend dat hij Gods stem niet meer hoort.
Die kleine stem – van binnen – de stem van het geweten
Die kleine kritische stem, die ook wij zo vaak negeren of overschreeuwen.
Waar Gods woord wordt gehoord… en dus gedaan…
Daar ontplooit zich de humaniteit.
Waar die stille stem in het hart verloren gaat
in het gerommel van onze onderbuik, gaat de humaniteit verloren.

Waar de stem van het geweten wordt overstemd door scheldwoorden…
Waar de oproep tot broederschap wordt afgedaan als soft geklets of multiculti geleuter, of linkse hobby’s en meer van dat soort gebral…
daar raakt de menselijkheid steeds verder buiten beeld.

Waarom ben je zo boos. Kaïn?
Waarom keer je het niet om en ben je blij dat er in elk geval iemand naar je
broertje omkijkt … want jij Kaïn jij vertikt het… Jij laat hem aan zijn lot
over.

Precies zegt Kaïn: Ik ben nou eenmaal geen herder, die wel ziet wat het leven
brengt… Ik wil zekerheid.  Ik ben Kaïn, ik ben honkvast. Zo ben ik nou eenmaal. Punt, uit! Wat mijn broer doet, dat is zijn zaak. Daar bemoei ik me niet mee!

Het lot heeft mij groot en sterk gemaakt en daar ben ik blij mee!

Kaïn waar is je broeder?

 Dat is de tweede grote vraag in deze proloog van Genesis.

Eerst was het:  Adam waar ben je? Maar Adam
was nergens meer…
Adam meende meer te zijn dan aardmannetje, een schepsel van de Eeuwige,  waar God heel vertrouwelijk mee omgaat.

Adam probeert als God te zijn en verwerft zich de kennis van goed en kwaad.
Twee mensen die zo vertrouwelijk met god en elkaar waren dat ze naakt
rondliepen, maar nu bloot staan aan elkaars blikken en zich verbergen voor God,
maar juist dan staan ze te kijk… Kaïn probeert als God te zijn en gaat met Abel het veld in.

God slaat acht op het offer van Abel en Kaïn slaat zijn broer de hersens in.
Abel ontsteekt een offer en Kaïn in blinde woede…
Abel krijgt aandacht en Kaïn gaat door het lint…
Er zijn mensen die daarop reageren in de sfeer van:
Zo gaat dan nou eenmaal. Dat is altijds zo geweest… Dat is ons lot…
Maar waar het lot regeert, legt de humaniteit het loodje.

“Kaïn waar is je broeder?”
Nu pas hoort de grote, sterke, invloedrijke, machtige Kaïn de stem van de Heer
en hij ontkent zijn verantwoordelijkheid. De appel valt al weer niet ver van de
boom. Adam  schuift de verantwoordelijkheid af op de vrouw. De vrouw schuift de verantwoordelijkheid af op de slang….Ontkennen…afschuiven… ons straatje schoon praten. Daar zijn wij mensen zo goed in. Maar, wij zijn allemaal voortgekomen uit de
schoot van Eva… We zijn allemaal kinderen van EEN VADER. 
Geroepen om te leven als elkaars broers en zusters.  Dat moesten we op moederdag nog maar eens goed tot ons laten doordringen… Kinderen van een vader!

In de joods-christelijke geloofstraditie is de mens verantwoordelijk voor goed en
kwaad. De mensheid  is vrij om te kiezen en krijgt allerlei tips om er samen iets moois van te maken… Thora.  Voila, la condition humaine. Zo zit het leven
in elkaar…

Broederschap en zusterschap kunnen vorm krijgen, als de mens ervoor kiest te
luisteren naar de stem van de Eeuwige. Waar Thora geleefd wordt, daar is het
goed; maar waar de vraag van Kaïn tot uitgangspunt van handelen wordt, daat
legt de menselijkheid het loodje en wordt de humaniteit om hals gebracht.  

In de joodse traditie mag zelfs de moordenaar leven… Kaïn krijgt een teken…

In de christelijke traditie mag ook de moordenaar leven… Heden zult gij met mij in het paradijs zijn…

Misericordia Domini.
Het meeleven van de Heer, Het meelijden van God, 
het mee dubben van de Eeuwige  over ethische dilemma’s
Ik zal er zijn voor jou…  als die kleine, stille stem in het hart.

Mens verhef jezelf niet boven een ander, zelfs niet boven de moordenaar.
Die ander is als jij! Jij bent als die ander… Allemaal kinderen van een Vader.

Allemaal voortgebracht door een en dezelfde oermoeder. Dat is geen biologie.
Dat is geen geneologie. Dat is Theologie: Dat gaat over het samenleven van mensen op de aarde, voor het aangezicht van God die in de hemel is.

Telkens als een mens en ander mens doodt, hijst de mens zich op Gods troon
en dan verliest de humaniteit.

Het was terecht onze kerk deze week uitsprak niet blij te zijn met de dood
van Osama bin Laden. Ik heb het gevoel dat president Obama daar ook mee zit.
Want hoe je dat: Het kwaad weerstaan? Door een mens te doden?
Ik ben wel blij met een president die zich niet op de borst slaat, geen foto’s
vrijgeeft  en geen verenderende filmpjes laat uitzenden.
Ik vermoed  – i.t.t. tot veel zeer christelijke  Amerikanen op theefeestjes- dat Obama leeft met zo’n stille stem in zijn hart. Hij heeft weet van goed en kwaad. Wetenschap die hem oproept gestalte te geven aan een humane samenleving. Dat biedt hoop…

Kaïn krijgt van God een teken, waardoor hij niet vogelvrij wordt, maar mag
leven. Hij moet het doen met Dwaalland. Prachtig zoals Piet van Midden dat
verwoordde: Dat land staat niet op de kaart en je moet een zwerver zijn om er te
komen. Een soort herder… een hoeder van je broeder… in dwaalland, het land van
dilemma’s.



Het heeft niks te maken met het beroep dat je uitoefent.
Het heeft te maken met de manier waarop je in het leven staat.
Als je wereld niet groter is dan je eigen stukje land…
Als je denkt dat je verantwoordelijkheid niet verder reikt dat je eigen bedrijf,
je eigen familie, je eigen dorp, eigen volk… 
dan heb je niet begrepen hoe groot dwaalland is… Dwaalland is zo groot
als de wereld.

Je broers en je zussen, nakomelingen van Eva bewonen de hele aarde.

Allemaal kinderen van een vader…  Allemaal mensen zoals jij.

We lezen Genesis direct na Pasen.

We lezen Genesis omdat Christus ons – heidenen die we zijn  –  betrekt
bij deze visie op de Condition Humaine. We lezen Genesis na Pasen, omdat
Christus ons  de kans biedt mee te doen
met het godsvolk dat is geroepen om gestalte te geven aan een humanitaire
samenleving. Een samenleving waarin we de vernieuwing van onze doopbelofte in
de paasnacht serieus nemen:

De voorganger vroeg: Broeders en zusters, wilt u de Heer uw God dienen en naar zijn stem alleen horen?  De gemeente antwoordde:  Ja, dat willen wij. 

De voorganger vroeg: Wilt ge u
verzetten tegen alle machten die als goden over ons willen heersen?  De gemeente antwoordde:  Ja dat willen wij. 

De voorganger vroeg: Wilt u ieder slavenjuk afwerpen en leven in de
vrijheid van Gods kinderen?  De gemeente antwoordde:
Ja, dat willen wij .

Dat het zo mag zijn  –

AMEN