Sefanja 3: 14-20 en Lucas 3:7-18

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Lieve mensen van God

 

Het is de derde zondag van Advent…
In kerken waar men heel intensief werkt met liturgische kleuren,
hangt vandaag geen paars, maar een roze antependium over de tafel.
Het diepe paars van de bezinningstijd,  die we Advent noemen,
mengt zich vast met het vreugdevolle wit van het komende Kerstfeest…

Midden in de periode die we noemen: “Hij komt!”  realiseren we ons weer even
dat Hij al gekomen is. We gedenken straks de geboorte van Jezus Messias.
In een werelddeel dat in hoog tempo bezig is los te komen van haar religieuze
en culturele wortels, kan het geen kwaad dat nog eens hardop te zeggen:

We vieren de komst van Jezus Messias….
Dat u niet denkt aan de een of andere schreeuwlelijk van de Noordpool,
die met een arrenslee  – getrokken door een rendier – door onze steden en dorpen raast en niets anders uitbrengt dan YAHOOOO! Yahooo; maar ondertussen wel de komst van God in deze wereld naar de achtergrond verdrijft.


Jubel, vrouwe Sion – zing van vreugde , Israël –
juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem.
De Heer heeft het vonnis over jou teniet gedaan en je vijand verdreven… 
Dat is andere taal! Dan dat niet erg intelligent klinkende: Yahoo  Yahoo

Ja dat is heel andere taal…

Dit is niet de taal van het Noorden,
waar de vrieskou de natuur en de kilte menselijke verhoudingen regeert;
waar de oude Germaanse goden huizen en de verhalen uit de Edda
mensen onder duim houden.  

Nee, dit is de taal van het oosten… ,
waar warme menselijkheid de toon zet en de verhalen  uit de Bijbel
ons vertellen over die ene, unieke God, die nota bene mens wordt,  
om ons te leren hoe we die menselijkheid van God
in ons leven gestalte kunnen geven.

De profeet Sefanja vertolkt die humnaniteit van de Heer  
al voor de mensen van zijn tijd: Adonai, de koning van Israël, is in jullie
midden, je hebt geen kwaad te vrezen. 
Sefanja vertelt zijn tijdgenoten dat God niet hoog en ver is… maar God-met-ons.


Dat vertelt Sefanja aan zijn tijdgenoten.
Die tijdgenoten zijn de mensen uit de 7-de eeuw voor Christus.
Het is de tijd van koning Josia… 
Een periode, waarin de meeste Judeeërs  het wel geloofden.  
De grote tijden van koning David en Salomo zijn voorbij.
Mensen zijn gedesillusioneerd geraakt door de graaiers
die net deden alsof ze het beste met hen voorhadden.
De mensen zijn teleurgesteld door de wereldverbeteraars
die ook alleen maar uit bleken te zijn op eigen gewin.

Je kunt wel proberen om goed te doen, zoals de jonge koning Josia,
maar het helpt allemaal geen fluit… Dat is de sfeer in de dagen van Sefanja.

Obama kan wel proberen het wapengeweld terug te dringen, maar dat helpt
allemaal niets… De wapenlobby zal sterker blijken te zijn, wist men
eergisteravond bij Pauw en Witteman aan tafel al te vertellen.

In de dagen
van Sefanja raakt de tempeldienst in de versukkeling –
de mensen haken af – op zondagmorgen slapen ze uit,
het geloof verkeert – net als de economie – in crisis. 

Tegen dat sfeertje stelt de profeet zich te weer: Er komen andere tijden!!
In die tijd zal ik – zo spreekt de Heer – afrekenen met je verdrukkers,
de kreupelen zal ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen.
Met eigen ogen zullen jullie zien hoe ik je lot ten goede keer – spreekt de
Heer!

Het wit, de kerkelijke feestkleur, mengt zich met het paars van de adventstijd.
Dat vreugdevolle vooruitzicht zorgt dat bezinning niet omslaat in navelstaren.
Dat vreugdevolle vooruitzicht behoedt ons voor zelfmedelijden.

We kijken uit naar het komen van God in deze wereld.

Maar als we zeggen dat die twee kleuren zich mengen,
dan is ook het paars nog volop aanwezig.
Dat blijkt wel uit onze tweede lezing.
Die ging over Johannes de Doper.

Johannes gaat niet bepaald zachtzinnig te werk.
De mensen die massaal op hem afkomen spreekt hij aan met “adderengebroed.”  Vroeger vertelde men op zondagsschool en
catechisatie dat Johannes te keer ging tegen de priesters en de farizeeën. Maar
dat staat er niet…
Johannes spreekt het hele gelovige volk toe,dat zich om hen heen verzamelt.
Mensen zoals u en ik… “Wie heeft jullie wijsgemaakt, dat je veilig bent voor komende oordeel? Breng vruchten voort, die een nieuw leven waardig zijn, stelletje gifslangen.”
Johannes gaat te keer tegen de zelfgenoegzaamheid van de gelovigen.
Tegen de slangenkuil die ze maken van de samenleving, waarin mensen elkaar zo
heftig pesten dat het leidt tot zelfdoding…
Tegen de slangenkuil waarin mensen elkaar aftuigen, zodat er slachtoffers
vallen onder degenen die grenzen van het speelveld in de gaten houden.
Tegen de slangenkuil die gewapende mensen tot zodanige razernij brengt,
dat ze het in hun hoofd halen om kinderen dood te schieten. 

Wie denken jullie wel dat je bent! Jullie denken zeker,
dat je aan het oordeel ontkomt, omdat je jullie nakomelingen van Abraham zijn.  

Je komt ook vandaag soms mensen tegen die ervan overtuigd zijn dat hen
– als over zes dagen de wereld vergaat – niets kan gebeuren, want zij behoren
tot de ware kerk.
Net als de joodse mensen in de dagen van Johannes,  denken die christenen dat Gods genade erfelijk is, dat het in hun genen zit…

en als er nu iets niet waar is, dan is het dat wel.
God zit juist niet in onze genen.
God is ons wezensvreemd.
Hij is de Ganz Andere.  

Waar wij – oerreligieuze mensen, die we zijn – er naar streven
om in het uur van onze dood de aarde te verlaten om naar de hemel te gaan, doet
GOD precies het omgekeerde:
Hij verlaat hij de hemelse gewesten om te midden van dat adderengebroed als
mensenkind geboren te worden, opdat wij zouden weten wat het betekent mens-te-zijn-naar-Gods-beeld.

God laat in de persoon van Jezus Christus zien, dat zijn idee over mens-zijn
iets heel anders is dan wat wij ervan maken.  
Dat wisten we wel…  
God had zich immers bekend gemaakt in zijn WOORD.
Wij gaan vieren dat het WOORD mens wordt.  
Jezus, vleesgeworden WOORD. Thora in de gestalte van een mens…
Thora in de gestalte van de mens… de ware mens… de bedoelde
mens.Het woord wordt mens
en die mens sluit geen compromissen met de mammon.
die mens maakt geen deals met de wapenindustrie.   

Die ware mens streeft niet naar macht,
die anderen klein houdt, 
maar schenkt de ander de kracht en de ruimte
om meer en meer mens te worden.
Die bedoelde mens maakt geen onderscheid
op grond van geaardheid, afkomst, sekse, beroep, huidskleur… etc.

Die bedoelde mens lijdt een leven van
breken en delen,
van kopje ondergaan en weer opstaan…
Die ware mens lijdt een leven van liefde voor vriend en vreemde, 
voor tollenaars en soldaten.
Die ware mens stelt geen eisen waaraan niemand kan voldoen…
Tollenaar, vorder niet meer dan je is opgedragen –
Bankier… schei uit met dat graaigedrag!
Soldaten, wees integer, laat je niet omkopen, misbruik je macht niet.
Schei uit met het ronselen van kindsoldaten
en laat de vrouwen met rust.

Jezus’ leven nodigt uit en moedigt aan… tot navolging.
Die ware mens, Jezus van Nazareth, nodigt u en mij uit om
beelddrager van God te worden…

God nodigt u en mij uit om hier en nu ZIJN  beelddrager te zijn.

Lucas vermeld expliciet dat er nogal wat mensen waren die geloofden dat Johannes de Doper de langverwachte Messias was. Ze meenden dat Jezus een van zijn volgelingen was.

Lucas , die in Jezus de langverwachte Messias ziet,
doet een poging deze mensen te overtuigen van hun ongelijk.
Johannes zegt: Ik doop jullie met water…
maar na mij komt iemand die je doopt met GODS GEEST.
Ik was jullie je zonden af,
maar dat is eigenlijk nog maar een eerste oppervlakkige reiniging.
Na mij komt iemand – ik ben nog niet waard om zijn schoenriem zelfs maar vast
te maken – die zal jullie reinigen met het vuur van de Heilige Geest. 

Over dat reinigen met vuur wil ik u een klein verhaal vertellen.

Het is ontleend aan een Bijbelstudie over Maleachi.
Die profeet heeft het ook over zuivering, over loutering…
en gebruikt het beeld van een zilversmid,
die zilver in vuur houdt opdat de ongerechtigheden
die erin zitten, eruit kunnen.

Het verhaaltje gaat over een vrouw die bij een zilversmid komt.
Mag ik eens kijken hoe u te werk gaat, meneer de zilversmid?
Maar natuurlijk, m evrouw.
Elke ambachtsman vind het leuk als iemand belangstelling toont
voor wat hij doet en hoe hij dat doet. 
Kijk, mevrouw, ik houd het zilver hier in het blauwe deel van de vlam.
Daar is het op zijn warmst.

Die hitte is nodig om ook de laatste ongerechtigheden eruit krijgen.
Want, wat ik nodig heb, is zuiver zilver… 

Maar… het is met zilver net als met croma, mevrouw, je moet erbij even blijven!
Stel u voor dat het zilver te heet wordt en verbrandt.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling…
De vrouw schudt haar hoofd en vraagt:
Maar hoe weet u dan wanneer het echt schoon is? 
Oh, dat is heel simpel.
Als ik mijn eigen beeld weerspiegeld zie in het zilver, dan is het klaar.

Hebt u hem?  De vergelijking, bedoel ik?  Dit simpele verhaaltje is een parabel.
De profeet tekent ons mensen als het zilver in handen vanGod, de zilversmid.
De smid zuivert het zilver, totdat Hij daarin zijn eigen beeld weerspiegelt
ziet…

God als de ambachtsman die geduldig doorwerkt aan zijn werkstuk…
Een God die mensen met aandacht en toewijding in het oog houdt
Een god die precies weet wat hij doet…
Hij werkt door tot de schepping – en dus ook de mens –
beelddrager van God is.

Die beeldspraak is ook op u en op mij van toepassing.
Die beeldspraak wekt vertrouwen, dat beeld geeft hoop, het schept toekomst.

Als we in deze adventsweken zeggen: Hij komt…
dan is dat geen goedkope kreet, om mensen gerust te stellen.
Het is geen makkelijk vroom gepraat
waardoor iedereen door kan gaan met zijn ongerechtigheden…
Nee! Er is sprake van loutering… We moeten dingen afleren…  
Nieuwe dingen bijleren! Meer en meer mens worden.

Als we in deze adventsweken zeggen: Hij komt,
dan is dat geen dreigende taal om mensen op stang te jagen
geen gezwets n.a.v. een  verkeerd geïnterpreteerde Majakalender;
maar ook geen donderpreken over hel en verdoemenis
om je in het gareel van religieuze machthebbers te dwingen.

Als we in deze adventsweken zeggen: Hij komt
dan is dat een geloofwaardige, vertrouwenwekkende boodschap.
Dan gaat het over een God waarop  je bouwen kunt
omdat Hij God-met-ons – Immanuël – wil zijn.

Als we zeggen: Hij komt, dan gaat het over de ware mens,
over Jezus van Nazareth, en over mensen waarin Hij zijn spiegelbeeld herkent.
Dan gaat het over gelovigen.
Over mensen waarin God soms even zichzelf herkent…
Het gaat over mensen die op God vertrouwen, wat er ook gebeurt… 
Het gaat over mensen die gelouterd worden door het pinkstervuur
Het gaat over mensen die zich uitgedaagd voelen tot navolging
en zijn genodigd aan de tafel van de Heer
om daar brood uit de hemel te breken en te delen.
en wijn te schenken en te drinken
tot de Geest van dat rijke vocht je helemaal doorgloeit
en je in die Geest verder kunt.

Christus wil komen, telkens opnieuw, in u en in mij.
De mensheid mag  Christus herkennen in zijn kerk…
en dat gebeurt ….. soms – even;

Dat gebeurt, waar die kerk haar stem verheft
tegen onrecht en arrogantie; tegen seksueel geweld en wapengekletter
Dat gebeurt, waar die kerk niet zwijgend wegkijkt, als mensen slachtoffer
worden van corruptie en machtsmisbruik

Dat geschiedt, waar de kerkmensen zich niet te buiten gaan
aan pracht en praal, maar net als de herders van Bethlehem
zingend de stal verlaten om voor de arme schapen te gaan zorgen

Lieve mensen…
Of jij het gelooft is niet belangrijk
Hij gelooft in mensen… Hij komt!

Dat het zo mag zijn:
AMEN